ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8414
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering naar 55-65% arbeidsongeschiktheid na myocardinfarct
Appellante, werkzaam als parttime groepsbegeleidster, viel in maart 2003 uit wegens linkerbeenklachten en kreeg aanvankelijk een WAO-uitkering van 25-35%. Na toegenomen klachten en een myocardinfarct in 2004 werd haar uitkering verhoogd naar 80-100%. In 2006 werd de uitkering ingetrokken, waarna zij bezwaar maakte. De bezwaarverzekeringsarts stelde de beperkingen vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en het UWV herzag de uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid per 14 januari 2007.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de bezwaarverzekeringsarts het verzekeringsgeneeskundig protocol voor hartinfarcten als hulpmiddel diende te gebruiken. Hoewel niet alle aandachtspunten uit het protocol hoefden te worden besproken, was het onderzoek zorgvuldig en werd relevante medisch-specialistische informatie betrokken.
De Raad constateert dat een functie die eerder was meegenomen niet passend is bij de belastbaarheid van appellante, waardoor het verlies aan verdiencapaciteit hoger is dan vastgesteld. Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en stelt de arbeidsongeschiktheid vast op 55-65% per 14 januari 2007. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De WAO-uitkering van appellante wordt herzien naar 55-65% arbeidsongeschiktheid per 14 januari 2007.