ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8429
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving sinds 2002 bijstand op grond van de WWB. Na onderzoek van de sociale recherche werd vastgesteld dat zij samen met [v. T.] een gezamenlijke huishouding voerde, zonder melding hiervan te maken, waardoor zij de inlichtingenverplichting schond. Het College trok de bijstand in en vorderde kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep grotendeels ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat zij vanwege zorgbehoefte een uitzondering vormde, wat de Raad niet aannam wegens onvoldoende bewijs. De Raad oordeelde dat appellante geen zelfstandig recht op bijstand had als alleenstaande ouder.
De Raad vernietigde het besluit dat de intrekking vanaf mei 2006 handhaafde wegens motiveringsgebreken, evenals het besluit over de intrekking van november 2003 tot april 2006, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat het College bevoegd was de bijstand terug te vorderen vanwege de schending van de inlichtingenverplichting.
Verder werd de afwijzing van bijzondere bijstand en een vergoeding uit het Fonds Maatschappelijke Participatie bevestigd wegens niet-naleving van de verplichtingen. Het College werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De intrekking van bijstand werd gedeeltelijk vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar het College mocht de bijstand terugvorderen vanwege schending van de inlichtingenverplichting.