Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8655

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1450 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 511 Ambtenaren Reglement AmsterdamArt. 541 Ambtenaren Reglement AmsterdamArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging inhouding bezoldiging en disciplinaire straf wegens niet naleven controlevoorschriften bij ziekte

Appellant, werkzaam bij de uitrukdienst van de Regionale brandweer Amsterdam, meldde zich op 6 december 2005 ziek wegens griep. Een controleur van de arbodienst bezocht hem die dag en verzocht hem zich te melden bij de bedrijfsarts, wat appellant weigerde omdat hij zich niet in staat achtte te reizen. Op 8 december hervatte hij zijn werkzaamheden.

Het dagelijks bestuur legde op 13 maart 2006 een inhouding van bezoldiging op over de niet-gewerkte uren en een disciplinaire straf van vermindering van twee verlofdagen, wegens deelname aan een ontoelaatbare staking en het niet naleven van controlevoorschriften. Het bezwaar van appellant werd op 6 december 2006 ongegrond verklaard, waarbij het aantal ingehouden uren werd verhoogd tot zes.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. De rechtbank vond dat appellant niet verwijtbaar arbeidsverzuim had gepleegd, maar wel plichtsverzuim door weigering mee te werken aan het onderzoek van de arbodeskundige.

In hoger beroep betwistte appellant alleen de instandhouding van de rechtsgevolgen. De Raad verwierp zijn stellingen over telefonisch contact met de bedrijfsarts en het onvermogen om te reizen. De Raad oordeelde dat de inhouding en disciplinaire straf terecht en niet onevenredig waren, mede gezien de massale ziekmeldingen.

De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de inhouding van bezoldiging en de disciplinaire straf wegens niet naleven van controlevoorschriften bij ziekte.

Uitspraak

08/1450 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 januari 2008, 07/251 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland als rechtsopvolger van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 17 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2009. Namens appellant is verschenen mr. M.A. van Hoogeveen, werkzaam bij ABVAKABO FNV. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Wit, werkzaam bij de gemeente Amsterdam, en drs. D.G.L. Kransen, werkzaam bij de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland.
II. OVERWEGINGEN
1. Hierna wordt onder het dagelijks bestuur mede verstaan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam.
2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2.1. Appellant, werkzaam binnen de uitrukdienst van de Regionale brandweer Amsterdam en omstreken, heeft zich op 6 december 2005 ziek gemeld wegens griep. Op dezelfde dag is appellant bezocht door een controleur van de arbodienst. Deze heeft appellant verzocht zich die dag te melden bij de bedrijfsarts. Appellant heeft aan dit verzoek geen gevolg gegeven, omdat hij zich, anders dan de controleur had vastgesteld, niet in staat achtte te reizen. Op 8 december 2005 heeft appellant zijn werkzaamheden hervat.
2.2. Bij besluit van 13 maart 2006 heeft het dagelijks bestuur de bezoldiging ingehouden over de door appellant op 6 december 2005 niet gewerkte uren en hem een disciplinaire straf opgelegd, inhoudende vermindering van twee verlofdagen. Hieraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat op 6 december 2005 bij de brandweerorganisatie sprake was van massale ziekmeldingen die onder de gegeven omstandigheden als een ontoelaatbare staking moeten worden gezien en dat appellant heeft deelgenomen aan deze actie. Verder is aangegeven dat appellant zich, door niet op het spreekuur van de bedrijfsarts te verschijnen en niet direct zijn werkzaamheden te hervatten, de voor hem geldende controlevoorschriften niet heeft nageleefd.
2.3. Bij besluit van 6 december 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur de bezwaren van appellant tegen het besluit van 13 maart 2006 ongegrond verklaard. Hierbij is het laatstgenoemde besluit in zoverre aangevuld dat het aantal uren waarover bezoldiging is ingehouden, op zes is gesteld.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van dit besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat, nu geen oordeel beschikbaar is van een arbodeskundige over de arbeidsongeschiktheid van appellant, moet worden uitgegaan van het wettelijk vermoeden van arbeidsongeschiktheid, zoals neergelegd in artikel 511 van Pro het Ambtenaren Reglement Amsterdam (ARA). Daarom was naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake van arbeidsverzuim als gevolg van nalatigheid of verwijtbaar handelen. Volgens de rechtbank moet echter wel worden vastgesteld dat appellant heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek door een arbodeskundige, nu hij niet heeft voldaan aan de opdracht van de kazernemanager om naar de bedrijfsarts te gaan. Daarom kon het dagelijks bestuur volgens de rechtbank overgaan tot inhouding van bezoldiging op grond van artikel 541, aanhef en onder b, van het ARA. Naar het oordeel van de rechtbank kon deze gedraging tevens als plichtsverzuim worden aangemerkt en is de opgelegde disciplinaire straf niet onevenredig aan de ernst van het plichtsverzuim.
3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep alleen verzet tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit.
4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
4.1. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat hem door de controleur is meegedeeld dat hij ook telefonisch contact kon opnemen met de bedrijfsarts en dat hij vervolgens tevergeefs heeft gepoogd de bedrijfsarts telefonisch te bereiken. Hierbij overweegt de Raad dat deze stelling, die niet is onderbouwd met verifieerbare gegevens, niet strookt met hetgeen de controleur in een verzuimrapportage van 7 december 2005 heeft vermeld en dat bij de arbodienst ook geen melding bekend is van een telefonisch contact met appellant op 6 december 2005. Bovendien heeft appellant over dit punt in de loop van de procedure enige niet met elkaar overeenstemmende mededelingen gedaan.
4.2. Verder is voor de Raad niet komen vast te staan dat appellant, zoals hij heeft aangevoerd, vanwege zijn medische klachten niet in staat was om naar het spreekuur van de bedrijfsarts te gaan. Hierbij wijst de Raad erop dat de controleur heeft vastgesteld dat appellant reisvaardig was en dat appellant geen enkele medische verklaring heeft overgelegd waaruit het tegendeel zou kunnen blijken.
4.3. Met de rechtbank en op de dezelfde gronden is de Raad van oordeel dat de inhouding van bezoldiging en de oplegging van een disciplinaire straf stand kunnen houden. Ook de Raad acht de opgelegde straf van vermindering van twee verlofdagen niet onevenredig aan de ernst van het plichtsverzuim, mede in aanmerking genomen dat het niet naleven door appellant van de voor hem geldende controlevoorschriften bij ziekte plaatsvond op een moment dat sprake was van massale ziekmeldingen binnen de uitrukdienst.
5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
6. De Raad ziet tot slot geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2009.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) K. Moaddine.
HD