ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9662
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking ziekengeld wegens onvoldoende motivering over toepasselijkheid uitzondering arbeid
Appellante was werkzaam als montagemedewerkster en viel in juni 1991 uit met psychische klachten. Na een WAO-uitkering werd deze in 2002 ingetrokken omdat zij geschikt werd geacht voor andere functies. In 2007 meldde zij zich ziek met vermoeidheidsklachten en kreeg het UWV haar ziekengeld ingetrokken op basis van medisch onderzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht en gemotiveerd, waarbij ook informatie van de neuroloog en huisarts is meegewogen. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat appellante geschikt is voor psychisch niet belastende en fysiek niet zware werkzaamheden.
Echter, de Raad stelt vast dat het UWV ten onrechte als maatstaf voor 'zijn arbeid' de functies uit de eerdere WAO-beoordeling hanteert, terwijl appellante na intrekking van de WAO-uitkering in diverse periodes arbeid heeft verricht als receptioniste/telefoniste en postbode. Dit betekent dat de uitzondering op de regel niet zonder meer van toepassing is. Het UWV heeft onvoldoende onderzocht en gemotiveerd waarom de uitzondering toch zou gelden.
Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit wegens strijd met de Awb en beveelt het UWV een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellante en bepaalt vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van het ziekengeld wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.