ECLI:NL:CRVB:2009:BK0076
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens onvoldoende aannemelijkheid van schulden aan familie
Appellant ontving bijstand vanaf 1999 en kreeg in 2005 een vermogen vastgesteld dat leidde tot een intrekking van zijn uitkering na ontvangst van een erfenis. Hij stelde dat hij schulden aan familieleden had die het vermogen zouden verminderen, maar kon dit onvoldoende aantonen. De Raad oordeelde dat de schuldbekentenissen niet voldoende bewijs boden dat de schulden nog bestonden of terugbetaald moesten worden op de peildata.
Verder werd vastgesteld dat de leningen dateren uit een periode waarin appellant nog geen bedrijf had, waardoor financiering van een bedrijf als reden niet aannemelijk was. Ook werd overwogen dat de leningen, gezien het tijdsverloop, waarschijnlijk al waren afgelost vóór de bijstandsverlening. Het verzoek om vergoeding van proceskosten in verband met het bezwaar werd toegewezen omdat het College dit ten onrechte had geweigerd.
De Raad vernietigde het besluit voor zover het ging om de kostenvergoeding en veroordeelde het College in de proceskosten. Het hoger beroep tegen de intrekking van de bijstand werd ongegrond verklaard, waarmee de intrekking werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd vanwege onvoldoende aannemelijkheid van schulden, maar het College wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.