ECLI:NL:CRVB:2009:BK0170
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WW-uitkering wegens toekenning uitgesteld pensioen na 60 jaar
Appellant ontving sinds maart 2006 een WW-uitkering na het beëindigen van zijn dienstverband. Na het bereiken van de 60-jarige leeftijd kende het pensioenfonds een uitgesteld pensioen toe, waarop het UWV de WW-uitkering per 1 januari 2008 beëindigde vanwege de anticumulatieregeling in de WW.
Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing en voerde aan dat het pensioen geen ouderdomspensioen was en dat de regeling leeftijdsdiscriminatie bevatte. De rechtbank verklaarde het bezwaar deels ongegrond en oordeelde dat het pensioen als ouderdomspensioen kwalificeert, geen sprake is van discriminatie en dat het UWV correct handelde.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. Het pensioen voldoet aan de wettelijke definitie van ouderdomspensioen, het onderscheid is niet leeftijdsgebonden maar gebaseerd op het ontvangen van een ouderdomspensioen, en de anticumulatieregeling is niet in strijd met het Eerste Protocol of andere internationale verdragen.
De Raad verwierp de stellingen van appellant over discriminatie en onrechtmatigheid, oordeelde dat het UWV correct heeft gehandeld en wees een schadevergoeding af. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De WW-uitkering van appellant wordt terecht beëindigd wegens het ontvangen van een uitgesteld pensioen dat als ouderdomspensioen kwalificeert.