ECLI:NL:CRVB:2009:BK0241
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- P.J. Jansen
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering ziekengeld wegens onrechtmatige werkloosheidsuitkering
Appellant ontving vanaf 19 augustus 2004 een loongerelateerde werkloosheidsuitkering die door het Uwv bij besluit van 6 december 2005 met terugwerkende kracht werd herzien tot een kortdurende uitkering, waardoor appellant vanaf 19 februari 2005 geen recht meer had op werkloosheidsuitkering. Ondanks deze herziening ontving appellant vanaf 3 november 2005 onterecht een ziekengelduitkering.
Het Uwv besloot op 31 maart 2006 dat appellant geen recht had op ziekengeld vanaf 3 november 2005 en vorderde de onverschuldigd betaalde bedragen terug. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de terugvordering gedeeltelijk gegrond en bepaalde dat het Uwv een nieuw besluit moest nemen, waarbij de terugvordering beperkt werd tot de periode vanaf 2 december 2005.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant sinds 19 februari 2005 niet als werknemer in de zin van de Ziektewet kon worden beschouwd en dat het Uwv terecht het recht op ziekengeld vanaf 3 november 2005 heeft ingetrokken. De Raad acht de terugvordering van het bedrag over de periode van 2 december 2005 tot 19 februari 2006 terecht en wijst het beroep van appellant af. Tevens oordeelt de Raad dat appellant geen dringende redenen heeft aangetoond om terugvordering te voorkomen en dat de terugvordering terecht bruto plaatsvindt.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de terugvordering van onverschuldigd betaald ziekengeld wordt ongegrond verklaard.