ECLI:NL:CRVB:2009:BK0395
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding niet voor gehele periode gegrond
Appellanten voerden hoger beroep tegen besluiten van het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam waarin bijstand werd ingetrokken en teruggevorderd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder dit te melden. De Raad oordeelde dat appellanten in de periode van 27 januari 2003 tot en met 28 februari 2004 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, wat de intrekking en terugvordering rechtvaardigde.
Voor de periode van 15 maart 2004 tot en met 31 januari 2005 was er echter onvoldoende bewijs voor samenwoning. Het College had onvoldoende gemotiveerd waarom het van haar eerdere conclusie was teruggekomen dat er geen gezamenlijke huishouding bestond. De Raad vernietigde daarom het besluit voor deze periode en droeg het College op een nieuw besluit te nemen.
De Raad veroordeelde het College tevens in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan appellanten wordt vergoed. De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke motivering bij terugvorderingsbesluiten en de noodzaak van voldoende bewijs voor het aannemen van gezamenlijke huishouding.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd voor de periode 15 maart 2004 tot en met 31 januari 2005, maar bevestigd voor de periode 27 januari 2003 tot en met 28 februari 2004.