ECLI:NL:CRVB:2009:BK0488
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering bijstand na erfenis en vermogensvaststelling volgens WWB
Appellanten ontvingen sinds 1998 bijstand op basis van de WWB. Na het overlijden van de moeder van appellante in 2004 ontving zij in 2006 een erfenis van €40.272,38, wat het College als vermogen vaststelde en aanleiding gaf tot terugvordering van bijstandskosten.
De rechtbank vernietigde het terugvorderingsbesluit omdat het College een onjuiste peildatum en vermogensbedrag hanteerde. De Raad bevestigt dit oordeel en behandelt aanvullende beroepsgronden over hypotheeklasten, een schuld aan een derde, de afkoopwaarde van een levensverzekering en renovatiekosten van een woonwagen.
De Raad oordeelt dat de schuld aan de derde onvoldoende concreet is voor vermogensvermindering, dat hypotheeklasten alleen in mindering komen op het vermogen gebonden in de eigen woning, en dat de afkoopwaarde van de levensverzekering als vermogen moet worden meegeteld. Renovatiekosten van de woonwagen worden als noodzakelijke bestaanskosten niet bij het vermogen betrokken.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het College dient een nieuw besluit te nemen met correcte vermogensvaststelling en terugvordering.
De uitspraak is gedaan door voorzitter Roelofs en leden Kooijman en Claessens op 29 september 2009.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.