ECLI:NL:CRVB:2009:BK0574

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-2809 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening WAO-uitkeringsbeslissing wegens ontbreken nieuw feit

De zaak betreft een verzoek om herziening van eerdere uitspraken van de Centrale Raad van Beroep inzake de afwijzing van een WAO-uitkering aan verzoeker. De Raad had eerder geoordeeld dat verzoeker niet voldeed aan de vereiste 52 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid in 1984, waardoor de uitkering terecht was geweigerd.

Verzoeker stelde dat de eerdere beslissing onjuist was en vroeg om herziening van de uitspraken van 27 mei 2005 en 14 maart 2008. De Raad benadrukte dat herziening alleen mogelijk is op basis van nieuwe feiten of omstandigheden die bij de eerdere uitspraak niet bekend waren en die tot een andere beslissing hadden kunnen leiden.

Omdat verzoeker geen nieuw feit of omstandigheid had aangevoerd, werd het verzoek om herziening afgewezen. Verzoeker en het UWV waren niet aanwezig bij de zitting. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 8 oktober 2009.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de eerdere WAO-uitkeringsbeslissingen wordt afgewezen wegens ontbreken van een nieuw feit of nieuwe omstandigheid.

Uitspraak

08/2809 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
Met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: verzoeker),
om herziening van de uitspraken van de Raad van 27 mei 2005, 03/1161, en 14 maart 2008, 05/4591,
in de gedingen tussen:
verzoeker
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 oktober 2009
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak van 27 mei 2005 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2003, nr. 02/876, bevestigd. Daarbij is overwogen dat het Uwv terecht de aanspraak van verzoeker op een uitkering ingevolgde de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft afgewezen, nu in 1984 geen periode is aangevangen waarin verzoeker 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.
Bij uitspraak van 14 maart 2008 heeft de Raad het verzet van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard, dat gericht was tegen de uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 13 januari 2006, waarbij het verzoek om herziening van de uitspraak van 27 mei 2005 niet ontvankelijk was verklaard.
Verzoeker heeft bij brief van 14 april 2008 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 14 maart 2008, waarbij tevens is verwezen naar de uitspraak van 27 mei 2005.
Door het Uwv is op dit verzoek om herziening een reactie ingezonden, waarop vervolgens door verzoeker is gereageerd.
Het verzoek is behandeld ter zitting van de Raad op 27 augustus 2009. Verzoeker en het Uwv zijn daar, met kennisgeving, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Verzoeker heeft aan de verzoeken om herziening in essentie ten grondslag gelegd dat de Raad in zijn uitspraak van 27 mei 2005 een onjuiste beslissing heeft genomen ten aanzien van zijn verzoek om toekenning van een WAO-uitkering.
Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Awb, juncto artikel 21 van Pro de Beroepswet, een hernieuwde discussie over de betrokken uitspraak te openen. De verzoeken om herziening dienen dan ook te worden afgewezen, nu gesteld noch gebleken is dat door verzoeker enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in genoemde bepalingen van de Awb, naar voren is gebracht.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst de verzoeken om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en L.J.A Damen als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2009.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) B.E. Giesen.
MM