ECLI:NL:CRVB:2009:BK0720

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5421 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering bijstandsuitkering wegens gebrek aan medewerking huisbezoek

Betrokkene diende op 23 mei 2006 een aanvraag in voor bijstand na het beëindigen van zijn zelfstandige werkzaamheden. Hij gaf een tijdelijk woonadres op van zijn zoon en een postadres van zijn ex-partner. Na een gesprek bij Sociale Zaken en Werkgelegenheid werd een huisbezoek aangekondigd om de woonsituatie te controleren. Tijdens het huisbezoek was niemand aanwezig en betrokkene nam geen contact op met SoZaWe.

Het College wees de aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld of betrokkene in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde door het ontbreken van medewerking aan het huisbezoek. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de erven van betrokkene gingen in hoger beroep.

De Raad oordeelde dat er een redelijke grond was voor het huisbezoek en dat betrokkene had moeten begrijpen dat het huisbezoek aansluitend aan het gesprek zou plaatsvinden. Zelfs bij miscommunicatie had betrokkene contact moeten zoeken, wat niet aannemelijk was gebleken. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de bijstandsuitkering bevestigd wegens gebrek aan medewerking aan het huisbezoek.

Uitspraak

07/5421 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de erven van [Betrokkene] (hierna: appellanten),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 augustus 2007, 07/201 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene], destijds wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 13 oktober 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens betrokkene heeft mr. J. van den Ende, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. Van den Ende heeft de Raad bericht dat de procedure na het overlijden van betrokkene door appellanten wordt voortgezet.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2009. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Lunteren, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Appellanten zijn, zoals bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Betrokkene heeft, in verband met het beëindigen van zijn werkzaamheden als zelfstandige, op 23 mei 2006 een aanvraag ingediend ter verkrijging van bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Daarbij heeft hij het adres van zijn zoon als tijdelijk woonadres opgegeven, en daarnaast een ander adres als postadres. Bij onderzoek in de Gemeentelijke Basisadministratie in juni 2006 bleek dat het postadres het woonadres van de ex-partner van betrokkene was.
1.2. Aan betrokkene is een hersteltermijn verleend voor het indienen van nadere gegevens, waaronder financiële bescheiden en het echtscheidingsvonnis. Hij is op 15 augustus 2006 met nadere stukken verschenen op een afspraak bij de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SoZaWe). Blijkens een rapportage van 24 augustus 2006 van SoZaWe is aan het eind van dat gesprek aan betrokkene verteld dat een huisbezoek afgelegd moest worden ter controle van de woonsituatie en is afgesproken dat twee ambtenaren over ongeveer vijftien minuten op het adres zouden zijn dat als tijdelijk woonadres was opgegeven. Blijkens deze rapportage bleek er bij het afleggen van het huisbezoek niemand in de woning aanwezig te zijn en heeft betrokkene nadien geen contact gezocht met SoZaWe.
1.3. Bij besluit van 25 augustus 2006, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 december 2006, heeft het College de aanvraag van betrokkene om bijstand afgewezen op de grond dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld of betrokkene ten tijde hier van belang verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden, doordat hij geen medewerking heeft verleend aan een huisbezoek.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het besluit van 8 december 2006 ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Appellanten hebben niet betwist dat er in dit geval voor het College een redelijke grond was een huisbezoek te laten plaatsvinden. Van een weigering van betrokkene om medewerking te verlenen was volgens appellanten geen sprake. Betrokkene had niet begrepen dat het huisbezoek aansluitend aan het gesprek zou plaatsvinden. Volgens hem zou het huisbezoek ’s middags plaatsvinden en heeft hij toen tevergeefs daarop gewacht.
4.2. Vanwege het College is zowel in de gedingstukken als ter zitting van de rechtbank en de Raad nadere informatie verstrekt omtrent de omstandigheden waaronder en de wijze waarop de afspraak is gemaakt over het af te leggen huisbezoek. Daarvan uitgaande is de Raad van oordeel dat weinig aannemelijk is te achten dat betrokkene niet heeft hoeven begrijpen dat dit huisbezoek aansluitend aan het gesprek met SoZaWe zou plaatsvinden. Maar zelfs indien sprake zou zijn geweest van enige miscommunicatie, had het op de weg van betrokkene gelegen om, nadat hem was gebleken dat ’s middags geen huisbezoek plaatsvond, aan het eind van de middag of de dag erna contact op te nemen met SoZaWe. Betrokkene heeft wel gesteld dat hij dit telefonisch heeft gedaan, maar nu hij deze stelling niet nader heeft onderbouwd - het toegezegde overzicht van de telefoonmaatschappij, waaruit dit contact zou blijken, is niet ingediend - en bij SoZaWe van telefonisch contact niet is gebleken, zal de Raad aan deze stelling voorbij gaan.
4.3. Uit het vorenstaande volgt dat de het College zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene geen medewerking heeft willen verlenen aan een huisbezoek, waardoor zijn recht op bijstand niet was vast te stellen.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R. Kooper en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2009.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) R.B.E. van Nimwegen.
DW