Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0970

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/5005 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 WWBArt. 53a WWBArt. 11 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand wegens weigering medewerking huisbezoek

Appellante diende op 8 juni 2007 een aanvraag om bijstand in en gaf aan een kamer te bewonen op een adres te [woonplaats]. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Cuijk nodigde haar uit voor gesprekken en het overleggen van documenten, waaronder een huurovereenkomst. Tijdens een gesprek op 11 juli 2007 weigerde appellante medewerking aan een huisbezoek zonder toestemming van de hoofdbewoonster, die telefonisch niet bereikbaar was. Het College bood aan de hoofdbewoonster ter plekke te informeren en toestemming te vragen, maar appellante weigerde ook dit aanbod en volhardde in haar weigering, ondanks waarschuwingen over de gevolgen.

Het College wees de aanvraag bijstandsverlening af op 12 juli 2007 en verklaarde de bezwaren ongegrond op 23 oktober 2007. De rechtbank bevestigde dit besluit, waarna appellante in hoger beroep ging. De Raad oordeelde dat het College op grond van objectieve feiten redelijkerwijs kon twijfelen aan de juistheid van de door appellante verstrekte gegevens, mede omdat zij geen huurovereenkomst overlegde en eerder bijstand ontving van een andere gemeente waar zij niet op het opgegeven adres woonde.

De Raad stelde vast dat het huisbezoek noodzakelijk was om de woon- en leefsituatie te verifiëren en dat appellante geen minder belastende verificatiemethode had aangeboden. Haar argumenten over de weigering van de hoofdbewoonster en taalproblemen werden niet aannemelijk geacht. De Raad bevestigde daarom het besluit van het College en de uitspraak van de rechtbank en wees de bijstandsaanvraag af.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen vanwege de weigering van appellante medewerking te verlenen aan een noodzakelijk huisbezoek.

Uitspraak

08/5005 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 juli 2008, 07/4088 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Cuijk (hierna: College)
Datum uitspraak: 20 oktober 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. G.J.P.C.G. Verheijen, advocaat te Oosterhout-Nijmegen, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 8 september 2009, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante heeft op 8 juni 2007 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Daarbij heeft zij aangegeven een kamer te bewonen op het adres [adres] te [woonplaats].
1.2. Bij brief van 27 juni 2007 is appellante opgeroepen om in verband met haar aanvraag voor een gesprek op 4 juli 2007 te verschijnen. Haar is verzocht een aantal gegevens over te leggen, waaronder een huurovereenkomst van haar kamer. Nadat appellante zich voor deze afspraak had afgemeld wegens ziekte is zij bij brief van 4 juli 2007 wederom uitgenodigd voor een gesprek op 11 juli 2007, waarbij verzocht is de eerder gevraagde gegevens over te leggen. Appellante heeft op 11 juli 2007 aan de oproep gehoor gegeven, doch zij heeft hierbij de gevraagde gegevens niet overgelegd. Als reden daarvoor gaf zij aan ziek te zijn geweest. Tijdens dit gesprek is appellante om toestemming gevraagd om een huisbezoek af te leggen. Appellante heeft dit geweigerd, waarbij zij heeft aangegeven dat zij eerst de toestemming van de hoofdbewoonster moet hebben. Omdat deze telefonisch niet bereikbaar was, aangezien appellante niet beschikte over haar telefoonnummer, is vanwege het College aangeboden de hoofdbewoonster ter plekke te informeren over de situatie en haar om toestemming te vragen. Aan appellante is te kennen gegeven dat indien de hoofdbewoonster niet akkoord zou gaan, dit geen negatieve gevolgen voor de uitkering van appellante zou hebben. Appellante is er op gewezen dat zij medewerking moet verlenen aan een huisbezoek teneinde de woonsituatie te kunnen vaststellen, en dat bij weigering de aanvraag zal worden afgewezen. Appellante heeft volhard in haar weigering medewerking te verlenen aan een huisbezoek.
1.3. Bij besluit van 12 juli 2007 heeft het College de aanvraag van appellante afgewezen.
De Raad begrijpt de afwijzingsgrond aldus dat appellante niet de juiste en/of volledige informatie heeft verstrekt die nodig is om de noodzaak van bijstandsverlening te kunnen vaststellen.
1.4. Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft het College de bezwaren tegen het besluit van 12 juli 2007 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 oktober 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB.
4.2. Artikel 53a, tweede lid, eerste volzin, van de WWB bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand.
4.3. Indien de belanghebbende deze inlichtingen-/medewerkingsverplichting niet of niet in voldoende mate nakomt, en wanneer als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan naar vaste rechtspraak de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.
4.4. Eveneens volgens vaste rechtspraak van de Raad kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is sprake indien op basis van concrete feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door de betrokkene omtrent zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en deze gegevens niet op een voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.
4.5. De Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval zodanige grond aanwezig was.
4.6. Het College heeft op grond van objectieve bevindingen redelijkerwijs kunnen twijfelen aan de juistheid van hetgeen appellante heeft verklaard omtrent haar woon- en leefsituatie. Daarbij neemt de Raad onder meer in aanmerking dat appellante tijdens het gesprek op 11 juli 2007 geen van de gevraagde stukken, waaronder een huurcontract, heeft overgelegd. Voorts acht de Raad van belang dat zij tot 10 mei 2007 bijstand ontving van de gemeente Almelo, dat de bijstand per die datum is beëindigd omdat appellante niet woonde op het door haar opgegeven adres en dat zij aan de gemeente Almelo niet had doorgegeven waar zij vervolgens zou verblijven. Voorts is de Raad van oordeel dat de verificatie niet op een voor appellante minder belastende manier dan via een huisbezoek kon geschieden. Het College heeft onder de gegeven omstandigheden van appellante daarom kunnen verlangen dat zij medewerking zou verlenen aan een af te leggen huisbezoek.
4.7. De stelling van appellante dat zij de aanzegging van de hoofdbewoonster dat zij geen bezoek mocht ontvangen letterlijk heeft opgevat maakt dit niet anders. De Raad wijst er in dit verband op dat appellante het aanbod van het College om de hoofdbewoonster ter plekke te informeren over de situatie en haar om toestemming te vragen heeft afgeslagen. De Raad voegt hieraan nog toe dat appellante in haar weigering heeft volhard, nadat haar was meegedeeld dat deze weigering tot gevolg had dat de bijstand zou worden geweigerd. Aan de eerst in hoger beroep aangevoerde stelling dat appellante wegens slechte beheersing van de Nederlandse taal niet goed heeft begrepen wat de consequenties waren van een weigering van een huisbezoek gaat de Raad voorbij nu daarvoor in de gedingstukken geen aanknopingspunten zijn te vinden. Evenmin zijn er objectieve en verifieerbare gegevens ter onderbouwing van de gestelde psychische gezondheidsproblemen bij appellante.
4.8. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat het College de aanvraag om bijstand terecht heeft afgewezen.
4.9. Gelet op het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2009.
(get.) C. van Viegen.
(get.) C. de Blaeij.
RB