ECLI:NL:CRVB:2009:BK0982
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen beëindiging ziekengelduitkering
Appellante ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet nadat zij zich ziek had gemeld tijdens een WW-uitkering. Het UWV beëindigde haar ziekengelduitkering per 26 oktober 2006, omdat zij vanaf 10 oktober 2006 als hersteld werd beschouwd. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd door het UWV niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank verklaarde dit besluit onterecht en vernietigde het, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het bestreden besluit.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard en vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. De Raad stelt vast dat het UWV het primaire besluit uitsluitend baseerde op artikel 19 ZW Pro en niet op artikel 45 ZW Pro, dat de mogelijkheid biedt een maatregel op te leggen. Het is volgens de Raad niet aan de rechter om zelf een maatregel op te leggen.
De Raad beveelt het UWV om een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij rekening gehouden moet worden met de overwegingen in deze uitspraak, waaronder de klacht van appellante dat de uitnodiging voor het spreekuur niet aan haar gemachtigde is gestuurd in strijd met artikel 6:17 Awb Pro. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellante.
Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.