ECLI:NL:CRVB:2009:BK1046
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voortzetting WAO-uitkering op basis van Schattingsbesluit 2004
Appellant ontving sinds 11 december 2000 een WAO-uitkering, laatstelijk berekend op 80-100% arbeidsongeschiktheid. Deze uitkering werd per 1 september 2005 ingetrokken wegens afname van arbeidsongeschiktheid tot minder dan 15%. Na bezwaar werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 15 tot 25%, waarna appellant in beroep ging tegen deze vaststelling en de toepassing van het Schattingsbesluit 2004 betwistte.
Appellant stelde dat het Schattingsbesluit 2004 in strijd is met diverse internationale verdragen, waaronder het EVRM en het Europees Sociaal Handvest, en met de Grondwet, en dat zijn medische beperkingen onderschat waren. De rechtbank verwierp deze bezwaren grotendeels, maar vond dat de geschiktheid van bepaalde functies onvoldoende was gemotiveerd.
In hoger beroep bevestigde de Raad de eerdere uitspraken en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin het Schattingsbesluit 2004 werd erkend als een instrument met een legitieme doelstelling. De Raad liet zich adviseren door een onafhankelijke psychiater, die concludeerde dat appellant geen relevante gezondheidsafwijkingen had op de datum in geding. De Raad achtte de medische beperkingen en de geschiktheid van de functies vleeswarenmaker, productiemedewerker metaal en productiemedewerker industrie voldoende gemotiveerd en passend.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van het UWV tot voortzetting van de WAO-uitkering op basis van 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid. Tevens werd geen aanleiding gezien voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot voortzetting van de WAO-uitkering op basis van 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.