ECLI:NL:CRVB:2008:BD8561
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van het Schattingsbesluit 2004 inzake herziening WAO-uitkering en eigendomsrecht
Appellante ontving sinds 2001 een WAO-uitkering van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Het Uwv herzag deze uitkering in 2005 naar 35-45% op basis van het Schattingsbesluit 2004, wat leidde tot een verlaging van haar uitkering. Appellante stelde dat deze aanscherping van criteria onrechtvaardig was en in strijd met haar eigendomsrecht onder artikel 1 van Pro Protocol nr. 1 EVRM.
De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een inbreuk op het eigendomsrecht, maar dat deze gerechtvaardigd was. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet in aanmerking kwam voor vangnetuitkeringen zoals de TRI of WWB, waardoor de verlaging een onevenredige last vormde. Het Uwv stelde dat zij wel een WW-uitkering ontving en dat het Nederlandse systeem vangnetten kent.
De Raad stelde vast dat het Schattingsbesluit 2004 een wettelijke grondslag heeft en een legitiem algemeen belang dient, namelijk het stimuleren van arbeidsgeschiktheid en beheersing van kosten. De Raad oordeelde dat geen sprake was van een onevenredige last voor appellante, mede gezien de uitlooptermijn en de mogelijkheid tot WW-uitkering. Het beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.