ECLI:NL:CRVB:2009:BK1265
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek herziening AOW-uitkering na huwelijk en zorgregeling
Appellant ontving vanaf juni 2004 een AOW-uitkering voor alleenstaanden en woonde met het oog op zorg vanaf januari 2004 bij mevrouw L, eveneens AOW-gerechtigde alleenstaande. Na hun huwelijk op 30 mei 2006 stelde de Sociale Verzekeringsbank (Svb) het ouderdomspensioen van appellant per 1 juni 2006 vast op het gehuwde tarief. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij vanwege huwelijkse voorwaarden en de zorgregeling recht had op een AOW-uitkering voor ongehuwden. De Raad overwoog dat volgens artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW een gehuwde alleen als ongehuwd kan worden aangemerkt bij duurzaam gescheiden leven, wat hier niet het geval was.
Ook de in november 2006 ingevoerde zorgregeling, die herziening van AOW-uitkeringen bij gezamenlijke huishouding vanwege zorg beoogt te voorkomen, was niet van toepassing omdat appellant gehuwd was. De Raad concludeerde dat de Svb terecht het verzoek tot herziening afwees en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant vanwege zijn huwelijk geen aanspraak maakt op een AOW-uitkering voor ongehuwden en wijst het hoger beroep af.