ECLI:NL:CRVB:2009:BK2263
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.F. Bandringa
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellanten ontvingen vanaf 1 mei 1996 bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van een melding dat appellant werkzaamheden verrichtte en mogelijk inkomsten had, stelde de Sociale Recherche van de gemeente Delft een onderzoek in. Dit leidde tot het besluit van het College om de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 28 februari 2006 in te trekken en de kosten van bijstand terug te vorderen, met beëindiging van de bijstand vanaf 1 maart 2006.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten tegen dit besluit ongegrond. Zij oordeelde dat appellanten meerdere vermogensbestanddelen, zoals een pleziervaartuig en auto's, en werkzaamheden in het bedrijf van hun zoon niet hadden gemeld, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het College had het beleid om bij terugvordering in principe volledig over te gaan, tenzij dringende redenen zich voordoen, wat hier niet het geval was.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat zij alle relevante informatie hadden verstrekt en dat het College het terugvorderingsbeleid verkeerd toepaste. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en stelde dat appellanten tekort waren geschoten in hun inlichtingenplicht. Het bezit van waardevolle vermogensbestanddelen en het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden moesten zij melden, ook als daar niet expliciet naar werd gevraagd.
De Raad vond geen steun voor het betoog dat het terugvorderingsbeleid de bedoeling van de wetgever miskent en bevestigde dat het beleid binnen redelijke beleidsgrenzen valt. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd.