ECLI:NL:CRVB:2009:BK2516
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juistheid vaststelling gemiddeld aantal arbeidsuren voor WW-uitkering
In deze zaak staat de juiste vaststelling van het gemiddeld aantal arbeidsuren (gaa) centraal bij de bepaling van de omvang van het recht op WW-uitkering van betrokkene. Het UWV had het recht op uitkering vastgesteld op basis van een gaa van 17 uur en 46 minuten, terwijl de rechtbank Maastricht oordeelde dat dit onjuist was en dat het gaa 29 uur en 1 minuut had moeten zijn.
Het geschil betreft de periode van 6 februari 2006 tot en met 5 maart 2006, waarbij het UWV het recht op uitkering herzag en het recht vanaf 13 februari 2006 verlaagde vanwege meer gewerkte uren. De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV en gaf betrokkene gelijk.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de rechtbank het gemiddeld aantal arbeidsuren heeft verward met het arbeidsurenverlies. Het UWV is terecht uitgegaan van het arbeidsurenverlies van 17 uur en 46 minuten als omvang van het recht, terwijl het gaa 29 uur en 1 minuut bedroeg. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het UWV onjuist heeft gehandeld en verklaart de beroepen ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Uitkomst: De beroepen van het UWV en betrokkene worden ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.