ECLI:NL:CRVB:2009:BK2975
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.J.A. Kooijman
- R.H.M. Roelofs
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellanten ontvingen vanaf 1993 een bijstandsuitkering. Naar aanleiding van anonieme meldingen en een onderzoek door de sociale recherche, waarbij telefoongesprekken werden afgeluisterd en een huiszoeking plaatsvond, besloot het College de bijstand in te trekken en terug te vorderen wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, stellende dat er sprake was van verzwegen werkzaamheden en inkomsten uit handel in goud, sieraden en kleding. Appellanten betoogden in hoger beroep onder meer dat de terugvordering deels was verjaard en ontkenden de verzwegen inkomsten.
De Raad oordeelt dat het beroep op verjaring niet is gedaan bij de rechtbank en dat de verjaringstermijn pas begon te lopen vanaf het rapport van de sociale recherche in maart 2006. De Raad stelt vast dat appellanten vanaf mei 1999 over twee waardevolle auto’s beschikten die zij hadden moeten melden. De Raad kan echter niet vaststellen dat appellanten vóór 1 mei 1999 de inlichtingenverplichting hebben geschonden.
Daarom vernietigt de Raad het besluit tot intrekking en terugvordering over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 april 1999 en bepaalt dat het College een nieuw besluit moet nemen. De Raad veroordeelt het College tevens in de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 1 juli 1997 tot 30 april 1999 wordt vernietigd en het College moet een nieuw besluit nemen.