ECLI:NL:CRVB:2009:BK3312
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak inzake bezwaar tegen intrekking WW-, REA- en ZW-uitkeringen en boete
Appellant had een WW-uitkering ontvangen vanaf juni 2001, later gevolgd door REA- en ZW-uitkeringen. Na een fraudeonderzoek stelde het UWV vast dat appellant als zelfstandige fulltime werkte zonder dit te melden, waarna het UWV besloot de uitkeringen in te trekken en onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen. Appellant maakte bezwaar tegen de besluiten, maar de rechtbank oordeelde dat hij geen bezwaar had gemaakt tegen de intrekking van de WW-uitkering, waardoor ook de REA- en ZW-uitkeringen en de boete terecht waren opgelegd.
In hoger beroep stelde appellant dat hij wel degelijk bezwaar had gemaakt tegen alle besluiten van 8 juli 2005, waaronder de intrekking van de WW-uitkering. De Raad stelde vast dat de brief van de gemachtigde van appellant van 21 juli 2005 als bezwaarschrift moet worden aangemerkt, omdat daarin expliciet bezwaar werd gemaakt tegen de beslissingen van het UWV. De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en de bestreden besluiten, en bepaalde dat het UWV opnieuw op de bezwaren moet beslissen.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant, waaronder de betaalde griffierechten. De Raad kwam niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de intrekking van de REA- en ZW-uitkeringen en de boete vanwege de samenhang met de WW-uitkering.
De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 28 oktober 2009.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak en de besluiten van het UWV en bepaalt dat het UWV opnieuw op de bezwaren moet beslissen.