ECLI:NL:CRVB:2009:BK3321
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- H.C.P. Venema
- J.L.P.G. van Thiel
- Rechtspraak.nl
Intrekking financiële tegemoetkoming voor auto en toekenning collectief vervoer onder Wmo
Appellante, met een aangeboren handicap, kreeg op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van haar auto. Het College trok deze tegemoetkoming per 1 januari 2007 in, omdat collectief vervoer werd ingevoerd en appellante geacht werd daarvan gebruik te kunnen maken. Appellante maakte bezwaar en stelde dat collectief vervoer haar sociale leven ernstig beperkt en niet voldoet aan haar individuele behoeften.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat collectief vervoer de goedkoopste adequate voorziening is en dat er geen medische gronden waren om hiervan af te wijken. In hoger beroep stelde appellante dat het collectief vervoer niet adequaat is vanwege wachttijden, lange ritten en beperkte beschikbaarheid, en dat het College ten onrechte geen persoonsgebonden budget aanbood. Tevens stelde zij beroep te doen op overgangsrecht.
De Raad oordeelde dat het College zich ten onrechte beperkte tot objectieve medische belemmeringen en onvoldoende rekening hield met de individuele situatie van appellante, waaronder het feit dat zij een eigen auto heeft. Het collectief vervoer is een individuele voorziening, maar het College moet maatwerk leveren en nagaan welke voorziening de zelfredzaamheid het beste bevordert. Het College mag het primaat van collectief vervoer hanteren, maar moet ook de compensatieplicht in het individuele geval beoordelen. De overgangsrechtelijke stelling faalt omdat appellante tijdig op de intrekking was gewezen.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en beveelt het College binnen zes weken een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het College moet binnen zes weken een nieuwe beslissing nemen met inachtneming van deze uitspraak.