Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4582

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-195 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbWWBAfstemmingsverordening WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen waarschuwing bijstandsgerechtigde

Appellant verscheen in december 2005 voor gesprekken bij de Dienst Werk en Inkomen van Amsterdam, waarbij hij zich volgens de rapportage niet coöperatief en beledigend gedroeg. Op 30 december 2005 ontving hij een brief waarin hem werd gewaarschuwd dat bij herhaling zijn bijstandsuitkering verlaagd of ingetrokken zou kunnen worden.

Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, maar het College verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was, maar een informatieve waarschuwing zonder rechtsgevolgen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.

In hoger beroep betoogde appellant dat de brief wel degelijk een verlaging van de bijstand inhield, maar de Raad stelde vast dat het slechts een waarschuwing betrof zonder wettelijke grondslag en zonder wijziging van zijn rechtspositie. De Raad bevestigde dat de brief geen zelfstandig en definitief rechtsoordeel bevatte en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Raad bevestigt dat de brief geen besluit is en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk.

Uitspraak

08/195 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 november 2007, 06/2902 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 24 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. Nijssen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2009. Voor appellant is, met voorafgaand bericht, niemand verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Koppert, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant is op 12 en 23 december 2005 na een oproep verschenen voor een gesprek op het kantoor van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI). Hij zou daarbij, blijkens de daarbij opgemaakte rapportage, niet de vereiste medewerking hebben verleend en zich in beledigende termen hebben uitgelaten tegenover de medewerkers van de DWI. Bij brief van 30 december 2005 is appellant onder meer het volgende meegedeeld:
“ (…) Hiermee bent u naar ons oordeel ernstig tekort geschoten in uw gedrag ten opzichte van gemeentepersoneel dat betrokken is bij de uitvoering van de WWB. Bij een dergelijke handelwijze stemmen wij de bijstand in principe af door de eerstkomende betaling van de bijstandsuitkering met € 200 te verlagen. Deze keer heeft dit geen gevolgen voor uw uitkering. Wij wijzen u erop dat wij bij een toekomstige aanleiding uw uitkering wel zullen verlagen of helemaal inhouden.(…)”
1.2. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft het College bij besluit van 4 mei 2006 ongegrond verklaard. Nadien heeft het College dit laatste besluit herzien en het bezwaar bij besluit van 12 december 2006 alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij is overwogen dat het hier een informatieve mededeling in de vorm van een waarschuwing betreft, zodat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 12 december 2006 ingestelde beroep - voor zover hier van belang - ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de brief van 30 december 2005 geen publiekrechtelijke rechtshandeling bevat, dat de waarschuwing geen wettelijke grondslag heeft en geen wijziging brengt in de bestaande rechtspositie van appellant en dat geen sprake is van een verlaging van bijstand die is gematigd tot nihil.
3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt eerst vast dat de brief van 30 december 2005 een schriftelijke waarschuwing behelst en dus geen verlaging van de bijstand (gematigd tot nihil), zoals appellant heeft betoogd. De Raad merkt voorts op dat noch de WWB noch de gemeentelijke Afstemmingsverordening WWB (hierna: verordening) een grondslag biedt voor het geven van een dergelijke waarschuwing. De Raad gaat voorts, op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, ervan uit dat het College met de brief van 30 december 2005 niet beoogd heeft een zelfstandig en als definitief bedoeld rechtsoordeel te geven, inhoudende dat appellant zich maatregelwaardig heeft gedragen en dat dit bij een volgende gedraging zonder meer als vaststaand gegeven en/of verzwarende omstandigheid wordt meegenomen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat van de zijde van het College desgevraagd is bevestigd dat artikel 4, tweede lid, van de verordening zo moet worden opgevat dat, indien bij het afstemmen van de bijstand rekening wordt gehouden met eerdere verwijtbare gedragingen van de belanghebbende, die eerdere gedragingen alsdan ten volle worden beoordeeld. Dit betekent, dat de bij brief van 30 december 2005 gegeven waarschuwing geen wijziging brengt in de rechtspositie van appellant.
4.2. Gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen, is de Raad van oordeel dat de brief van 30 december 2005 niet is gericht op zelfstandig rechtsgevolg en dus niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb.
4.3. Het hoger beroep treft daarom geen doel, zodat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten dient te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2009.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) J. Waasdorp.
mm