ECLI:NL:CRVB:2009:BK4607
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens pensioen en vermogen in Turkije
Appellanten ontvingen vanaf 1999 tot 2000 en vanaf 2000 tot 2002 aanvullende bijstand. Later bleek dat appellant een pensioen in Turkije ontving en dat appellante onroerend goed bezat, wat niet was gemeld aan het College. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd wegens overschrijding van de bijstandsnorm en vermogensgrens.
De Raad oordeelt dat de waarde van het onroerend goed, vastgesteld door een makelaar in opdracht van de Nederlandse ambassade, betrouwbaarder is dan de lagere waarde die appellanten stelden. Dit leidt tot de conclusie dat appellanten geen recht hadden op bijstand in de betreffende periodes.
Het College was bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. De Raad vernietigt het eerdere besluit over de terugvordering en stelt het bedrag definitief vast op €20.496,30. Tevens veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellanten en bepaalt vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand wordt vastgesteld op €20.496,30 en het College wordt veroordeeld in proceskosten.