ECLI:NL:CRVB:2009:BK5661
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Verlaging bijstandsuitkering wegens onvoldoende medewerking aan arbeidsinschakeling
Appellante ontving bijstand volgens de Wet werk en bijstand (WWB) en werd geconfronteerd met een verlaging van haar uitkering met 50% wegens het niet volgen van een traject gericht op arbeidsinschakeling. Het College had dit gebaseerd op het niet gebruiken van een aangeboden voorziening, maar de Raad oordeelde dat er geen concrete invulling van een traject had plaatsgevonden, zodat er geen sprake was van een aangeboden voorziening.
De rechtbank had het beroep van appellante tegen de verlaging ongegrond verklaard, maar de Raad vernietigde deze uitspraak en het besluit van het College. Vervolgens stelde de Raad zelf vast dat appellante onvoldoende meewerkte aan een onderzoek naar haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, wat een gedraging van de tweede categorie is volgens de Maatregelenverordening. Dit rechtvaardigt een verlaging van 10% van de bijstand gedurende een maand.
De Raad zag geen redenen om af te zien van deze maatregel of om een lichtere maatregel op te leggen. Tevens veroordeelde de Raad het College in de proceskosten van appellante. Het beroep werd gegrond verklaard, het eerdere besluit vernietigd en de bijstand met 10% verlaagd.
Uitkomst: De bijstand van appellante wordt met ingang van 1 oktober 2006 gedurende een maand met 10% verlaagd.