ECLI:NL:CRVB:2009:BK5675
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugwerkende kracht nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet
Appellant diende op 4 april 2007 een aanvraag in voor een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) vanwege het overlijden van zijn echtgenote in 1999. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende een voorlopige uitkering toe met ingang van april 2006, waarna dit besluit definitief werd.
Appellant maakte bezwaar tegen de beperkte terugwerkende kracht en stelde dat sprake was van een bijzonder geval dat een langere terugwerkende kracht rechtvaardigt. Tevens voerde hij een beroep op het gelijkheidsbeginsel aan, dat door de Raad werd verworpen wegens gebrek aan vergelijkbaarheid en onderbouwing.
De Raad stelde vast dat de late aanvraag voortkwam uit onbekendheid van appellant met zijn rechten onder de ANW. Hoewel appellant niet werd geïnformeerd door zijn begeleider bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI), had hij redelijkerwijs op de hoogte kunnen zijn van zijn aanspraken. Daarom was er geen sprake van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 33, vierde lid, van de ANW, en kon de Svb geen terugwerkende kracht van meer dan één jaar verlenen.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank Roermond werd bevestigd en toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht werd niet nodig geacht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugwerkende kracht van de nabestaandenuitkering blijft beperkt tot één jaar.