op de hoger beroepen van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 21 januari 2008, 07/1672 en 07/3352 (hierna: aangevallen uitspraak),
Datum uitspraak: 1 december 2009
Namens appellante heeft mr. G.J.P.C.G. Verheijen, advocaat te Oosterhout-Nijmegen, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft eveneens hoger beroep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift ingediend. Het College heeft nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2009. Appellante en haar gemachtigde zijn met bericht niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.M. van Gerwen, werkzaam bij de gemeente Nijmegen.
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante ontving van 4 december 1992 tot 25 december 1999 en van 1 februari 2004 tot 1 november 2006 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2. Naar aanleiding van een fraudemelding op 16 maart 2006 hebben sociaal rechercheurs van de Afdeling Zorg en Inkomen van de gemeente Nijmegen een onderzoek ingesteld. In het kader hiervan is onder meer informatie ingewonnen bij de Belastingdienst en een tweetal banken. Appellante is op 29 november 2006 gehoord. Tevens zijn de gezinsvoogd [naam gezinsvoogd K.] (hierna: K) en de ex-echtgenoot van appellante, [naam ex-echtgenoot ö.] (hierna: Ö), gehoord. Uit het onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 4 januari 2007, kwam naar voren dat appellante naast de aan het College bekende bankrekeningen nog een tweetal bankrekeningen op haar naam heeft staan waarvan zij aan het College geen opgave heeft gedaan.
1.3. De bevindingen van het onderzoek waren voor het College aanleiding om bij besluit van 9 november 2006 de bijstand van appellante over de periode van 1 februari 2004 tot en met 31 oktober 2006 in te trekken op de grond dat zij over die periode niet volledig heeft voldaan aan de op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting. Bij het besluit van 9 november 2006 zijn tevens de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 41.752,19 van haar teruggevorderd.
1.4. Bij besluit van 13 juli 2007 (hierna: bestreden besluit), dat is genomen ter vervanging van een eerder op 16 maart 2007 genomen besluit op bezwaar, heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 9 november 2006 ongegrond verklaard. Aan de intrekking heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante over de periode van 1 februari 2004 tot en met 31 oktober 2006 de op grond van artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet en artikel 17, eerste lid, van de WWB geldende inlichtingenverplichting heeft geschonden door twee op haar naam staande bankrekeningen te verzwijgen, met als gevolg dat het recht op uitkering over die periode niet kan worden vastgesteld.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit voor zover daarbij de intrekking van het recht op bijstand is gehandhaafd geheel in stand blijven en dat het College een nieuw besluit neemt ten aanzien van de terugvordering. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven over de vergoeding van griffierecht en proceskosten.
2.2. Met betrekking tot de intrekking van de bijstand is de rechtbank van oordeel dat appellante niet genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat de tegoeden op de verzwegen bankrekeningen niet tot haar vermogen behoorden. De verklaringen van K en Ö bevestigen naar het oordeel van de rechtbank eerder de juistheid van de stelling van het College dat appellante over de gelden op haar rekeningen kon beschikken. Zij heeft voorts geen objectief verifieerbare gegevens overgelegd waaruit de juistheid van haar stellingen zou kunnen blijken. Het recht op bijstand over de periode in geding kan volgens de rechtbank echter wel worden vastgesteld, omdat appellante bij aanvang van de bijstand en gedurende de gehele periode in geding over een vermogen beschikte boven het bedrag als bedoeld in artikel 34, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB, zodat zij geen recht op bijstand had. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien het bestreden besluit te vernietigen en de rechtsgevolgen van dat besluit voor zover dat ziet op de intrekking van bijstand in stand te laten.
2.3. Met betrekking tot de terugvordering overwoog de rechtbank dat uit artikel 60, eerste lid, van de WWB volgt dat het College verplicht is in het terugvorderingsbesluit het bedrag aan bijstand te vermelden dat wordt teruggevorderd. Het doel van deze bepaling, is het bieden van zekerheid aan degene van wie bijstand wordt teruggevorderd over de hoogte van de vordering. Hiermee verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank niet, dat, zoals in de onderhavige zaak, in het besluit tot terugvordering wordt vermeld dat een deel van het bedrag nog zal worden gebruteerd. Immers, in dat geval wordt geen uitsluitsel gegeven over de uiteindelijke hoogte van de vordering. De rechtbank heeft in verband hiermee het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen ten aanzien van de terugvordering.
3.1. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Zij betwist niet dat het feit dat een bankrekening op haar naam staat de veronderstelling rechtvaardigt dat het tegoed op die bankrekening een bestanddeel vormt van het vermogen waarover zij beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken en dat het aan haar is om in genoegzame mate aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval. Zij is echter van mening dat zij in genoegzame mate heeft aangetoond dat het tegoed op de [naam bank] rekening geen bestanddeel vormde van haar vermogen, maar aan haar broer toebehoorde. Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte de verklaring van K en Ö zwaarder laten wegen dan haar eigen verklaring en dan de eerdere handgeschreven verklaring van Ö van 26 november 2006.
3.2. Het College heeft in hoger beroep de juistheid bestreden van de beslissing van de rechtbank om het besluit op bezwaar te vernietigen voor zover daarbij de terugvordering is gehandhaafd, de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar in zoverre niet in stand zijn gelaten en het College is opgedragen om in zoverre een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen.
4. Met betrekking tot het hoger beroep van appellante komt de Raad, zich beperkend tot de in hoger beroep door haar aangevoerde grief, tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat appellante er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat het tegoed op de [naam bank] rekening niet aan haar, maar aan haar broer toebehoorde. De Raad verwijst daartoe in de eerste plaats naar de overwegingen in de aangevallen uitspraak, welke hij volledig onderschrijft. Daaraan voegt de Raad toe dat appellante haar verklaring ook in hoger beroep met geen enkel objectief en verifieerbaar gegeven heeft ondersteund.
4.2. Aangezien het niet nakomen van de inlichtingenverplichting door appellante ertoe heeft geleid dat aan haar ten onrechte bijstand is verleend, was het College bevoegd de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het College hiertoe niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan.
5. Met betrekking tot het hoger beroep van het College overweegt de Raad het volgende.
5.1. De Raad stelt vast dat, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, in het primaire besluit van 9 november 2006 het bedrag dat van appellante wordt teruggevorderd wel is vermeld. Dat is namelijk € 41.752,19. De berekening van dit totaalbedrag is gespecificeerd op een bijlage die met het besluit aan appellante is toegezonden. Ook is in het besluit uiteengezet dat appellante van het teruggevorderde bedrag € 29.627,55 bruto dient te betalen, dat het bedrag van € 9.740,64 een nettobedrag is, en dat het bedrag van € 2.384,-- betreffende bijzondere bijstand eveneens netto wordt teruggevorderd.
5.2. In het besluit van 9 november 2006 is verder meegedeeld dat, wanneer het bedrag van € 9.740,64 op 31 december 2006 nog niet is afgelost, het bedrag dat appellante op dat moment nog moet terugbetalen wordt verhoogd met de loonbelasting en premies volksverzekeringen die daarover door het College zijn afgedragen en zij het restant dan dus bruto moet terugbetalen. Daarbij is vermeld dat het bruto bedrag ongeveer 40% hoger is dan het nettobedrag. Naar het oordeel van de Raad moet deze mededeling niet worden aangemerkt als een besluit tot brutering, maar als een mededeling ter voorlichting van appellante over de situatie die mogelijk zal ontstaan wanneer zij per 31 december 2006 het bedrag van € 9.740,64 nog niet volledig heeft afgelost. In dit verband merkt de Raad op dat het bedrag van de eventuele brutering ook niet eerder kan worden berekend dan na het einde van het lopende kalenderjaar, wanneer het bedrag van de restantvordering en het bedrag van de niet meer te verrekenen loonbelasting en premies volksverzekeringen bekend zijn. In het onderhavige geval heeft deze situatie zich overigens feitelijk niet voorgedaan, omdat eind 2006 de gehele vordering van € 41.752,19 was voldaan.
5.3. Uit hetgeen onder 4.2 is overwogen volgt dat het College bevoegd was tot terugvordering van de over de periode van 1 februari 2004 tot en met 31 oktober 2006 gemaakte kosten van bijstand over te gaan. De Raad stelt vast dat het College daarbij heeft gehandeld in overeenstemming met de inzake terugvordering gehanteerde beleidsregels. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in afwijking van deze beleidsregels geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.
5.4. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep van appellante niet en dat van het College wel slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover daarbij het bestreden besluit ook is vernietigd in zoverre daarbij de terugvordering is gehandhaafd en het College is opgedragen in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
De Centrale Raad van Beroep;
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het bestreden besluit tevens is vernietigd voor zover daarbij de terugvordering is gehandhaafd en het College is opgedragen in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen;
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2009.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.