ECLI:NL:CRVB:2009:BK6380
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning WGA-uitkering bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid zonder adl-afhankelijkheid
Appellante viel in april 2005 uit wegens vermoeidheid en pijnklachten en werd medisch onderzocht door een verzekeringsarts die een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opstelde met beperkingen en een arbeidsongeschiktheid van circa 50% vaststelde. Het UWV kende haar een WGA-uitkering toe, welke door appellante werd aangevochten met het verzoek om een IVA-uitkering wegens volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat er geen sprake was van adl-afhankelijkheid en dat benutbare mogelijkheden op de arbeidsmarkt aanwezig waren. De Raad onderschreef deze overwegingen en wees het beroep af. De Raad benadrukte dat het begrip adl-afhankelijkheid strikt moet worden uitgelegd en dat appellante niet voldeed aan de criteria voor volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.
De Raad zag geen aanleiding om een deskundige te benoemen, ondanks discrepanties tussen de bedrijfsarts en de verzekeringsarts. De brief van een revalidatiearts bevestigde de beperkingen maar gaf geen aanleiding tot herziening van de FML. De toekenning van de WGA-uitkering werd daarmee op goede gronden bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toekenning van een WGA-uitkering en wijst het beroep op een IVA-uitkering af.