Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6661

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1745 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 lid 3 WWBArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens niet opgegeven inkomsten en schending inlichtingenplicht

Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en werd onderzocht naar aanleiding van een anonieme tip over samenwoning met haar ex-partner. Tijdens het onderzoek bleek dat zij regelmatig geld ontving van haar ex-partner zonder dit te melden op de inkomstenformulieren, wat een schending van haar inlichtingenplicht vormt.

Het College beëindigde de bijstand met ingang van 1 juli 2006 omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld vanwege de niet opgegeven inkomsten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad oordeelt dat appellante terecht niet mocht vertrouwen op haar eerdere verklaring dat zij de bedragen niet hoefde op te geven, omdat zij expliciet was gevraagd hierover uitleg te geven. Ook was het niet mogelijk het recht vast te stellen door wisselende en niet controleerbare verklaringen over de hoogte van de ontvangen gelden.

Daarom was het College bevoegd tot intrekking van de bijstand op grond van artikel 54, derde lid, WWB. De Raad ziet geen bijzondere omstandigheden om van het beleid af te wijken en bevestigt de aangevallen uitspraak. Er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet opgegeven inkomsten wordt bevestigd.

Uitspraak

08/1745 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 februari 2008, 07/931 WWB (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 15 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.H. Boomstra, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2009. Voor appellante is verschenen mr. Boomstra. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Appellante ontving vanaf 27 januari 1988 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante zou samenwonen met haar ex-partner [naam ex-partner] heeft de afdeling Controle en Opsporing van de Dienst Werk en Inkomen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat verband heeft appellante op 8 juni 2006 verklaard dat zij ongeveer € 80,-- per maand voor benzine van haar ex-partner [naam ex-partner] ontvangt en dat hij haar zo nu en dan wat geld geeft, ongeveer € 100,-- tot € 250,-- per keer. Bij besluit van 24 oktober 2006 is de bijstand met ingang van 3 oktober 2006 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellante volgens haar opgave op het inkomstenformulier van september met ingang van die datum werkzaamheden verrichtte waaruit zij inkomsten ontving. In het kader van het beëindigingsonderzoek heeft appellante op 14 november 2006 schriftelijk verklaard dat zij van [naam ex-partner] € 20,-- per week aan benzinegeld ontvangt en dat hij haar daarnaast ook nog een bedrag tussen de € 60,-- en € 100,-- per week geeft voor levensonderhoud.
1.3. Op basis van deze onderzoeksbevindingen is het College tot de conclusie gekomen dat appellante vanaf 1 juli 2006 naast de bijstandsuitkering gelden heeft ontvangen zonder daarvan melding te maken. Het College heeft bij besluit van 30 november 2006 de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2006 beëindigd (ingetrokken) op de grond dat het recht op bijstand niet is vast te stellen omdat de hoogte van de aan appellante verstrekte gelden niet is komen vast te staan.
1.4. Bij besluit van 6 februari 2007 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 24 oktober 2006 en van 30 november 2006 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 februari 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt voorop dat het geding beperkt is tot de intrekking over de periode van 1 juli 2006 tot 3 oktober 2006.
4.2. Vaststaat dat appellante ten tijde in geding regelmatig gelden heeft ontvangen die zij niet heeft gemeld op de daarvoor bestemde inkomstenformulieren. Daarmee is gegeven dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat zij er op mocht vertrouwen dat zij de ontvangen bedragen niet hoefde op te geven omdat zij daarover op 8 juni 2006 heeft verklaard. Immers, op die dag is haar vanwege het College uitdrukkelijk gevraagd waarom zij de ontvangen bedragen niet heeft opgegeven, waaruit appellante heeft kunnen opmaken dat het opgeven daarvan van belang is. Evenmin kan de Raad appellante volgen in haar stelling dat het recht wel kan worden vastgesteld nu appellante wisselend heeft verklaard over de hoogte van de ontvangen gelden en deze bovendien niet verifieerbaar en controleerbaar zijn.
4.3. Nu appellante van deze als inkomsten aan te merken gelden geen mededeling heeft gedaan aan het College, en aldus de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, was het College met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot intrekking van de bijstand. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van intrekking gehanteerde beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van het beleid had moeten afwijken.
4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2009.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) C. de Blaeij.
mm