ECLI:NL:CRVB:2009:BK6815

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1857 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 AwbArt. 7:15 AwbArt. 1:3 AwbArt. 3.13 Wsf 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening besluit ouderlijke bijdrage na onjuiste vaststelling door IB-Groep

Appellant maakte bezwaar tegen de vaststelling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage door de IB-Groep voor het jaar 2007. De IB-Groep handhaafde het oorspronkelijke bedrag ondanks latere correcties in de bijdrage via meerdere Berichten Ouder. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.

In hoger beroep stelde appellant dat de IB-Groep onterecht het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard en dat de rechtbank ten onrechte het oorspronkelijke bedrag had gehandhaafd zonder rekening te houden met de latere Berichten Ouder. Tevens stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte geen rekening hield met een verzoek om peiljaarverlegging en dat de kostenvergoeding op grond van artikel 7:15 Awb Pro ten onrechte was geweigerd.

De Raad oordeelde dat het bezwaar terecht ontvankelijk was en dat de IB-Groep op grond van artikel 7:11 Awb Pro verplicht is het bezwaar te heroverwegen met inachtneming van nieuwe feiten en omstandigheden. Omdat bij de beslissing op bezwaar reeds vaststond dat de oorspronkelijke vaststelling onjuist was, had de IB-Groep dit moeten meenemen. De Raad vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat de IB-Groep een nieuw besluit moet nemen, inclusief een beslissing over de kostenvergoeding. Tevens werd de IB-Groep veroordeeld in de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het besluit van de IB-Groep wordt vernietigd en een nieuwe beslissing op bezwaar wordt bevolen.

Uitspraak

08/1857 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 februari 2008, 07/288 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).
Datum uitspraak: 11 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.A. Lucardi, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.
De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2009. Appellant was vertegenwoordigd door mr. drs. M.J.G. Schroeder, als jurist werkzaam bij Lucardi en De Visser, advocaten te Den Haag en de IB-Groep door mr. K.F. Hofstee.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij Bericht Ouder 2007, nr. 1, gedateerd 16 oktober 2006, heeft de IB-Groep de veronderstelde ouderlijke bijdrage ten behoeve van de dochter van appellant voor het jaar 2007 vastgesteld op een bedrag van € 133,92 per maand.
1.2. Tegen dit bericht is namens appellant door Lucardi bezwaar gemaakt.
1.3. Bij Bericht Ouder 2007, nr. 2, gedateerd 23 december 2006, heeft de IB-Groep appellant bericht dat de veronderstelde ouderlijke bijdrage opnieuw is berekend en is vastgesteld op een bedrag van € 126,95 per maand.
1.4. Bij Bericht Ouder 2007, nr. 3, gedateerd 27 januari 2007, heeft de IB-Groep appellant bericht dat de veronderstelde ouderlijke bijdrage opnieuw is berekend en is vastgesteld op een bedrag van € 96,70.
1.5. Bij beslissing op bezwaar van 8 februari 2007 heeft de IB-Groep het bezwaar van appellant gericht tegen het Bericht Ouder 2007, nr. 1, gedateerd 16 oktober 2006, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 8 februari 2007 ongegrond verklaard.
3.1. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte niet tot het oordeel is gekomen dat het door hem ingediende bezwaar door de IB-Groep niet-ontvankelijk had dienen te worden verklaard. Naar zijn opvatting heeft de rechtbank miskend dat de IB-Groep geen tot de ouders gericht appellabel besluit moet nemen tot vaststelling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage.
3.2. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat bij de beslissing op bezwaar terecht het Bericht Ouder 2007, nr. 1, van 16 oktober 2006, waarbij de veronderstelde ouderlijke bijdrage is vastgesteld op € 133,92 per maand is gehandhaafd. Appellant heeft erop gewezen dat bij nadere Berichten Ouder 2007, nr. 2 en nr. 3 een lagere bijdrage is vastgesteld.
3.3. Appellant heeft tevens gesteld dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat bij de beslissing op bezwaar van 8 februari 2007 door de IB-Groep terecht geen rekening is gehouden met een verzoek om verlegging van het peiljaar, omdat zo’n verzoek niet was ingediend.
3.4. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat de IB-Groep ten onrechte bij de beslissing op bezwaar niet heeft beslist dat de kosten als bedoeld in artikel 7:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden vergoed.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. De beroepsgrond van appellant bedoeld in 3.1 treft geen doel. De vaststelling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage als bedoeld in artikel 3.13 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) is een besluit als bedoeld in artikel 1.3 van de Awb en richt zich tot appellant.
Voor een uitgebreide beschrijving van de wijze waarop de vaststelling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage in de Wsf 2000 is geregeld verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 20 november 2009, LJN BK5210.
4.3. De beroepsgrond van appellant bedoeld in 3.2 treft doel.
Ingevolge het bepaalde in artikel 7:11 van Pro de Awb dient de IB-Groep op grondslag van de bezwaren van appellant over te gaan tot heroverweging van het besluit waartegen zich die bezwaren richten. Gelet op de aard van de bezwaarschriftenprocedure dient dit – behoudens hier niet aan de orde zijnde uitzonderingen – te geschieden met inachtneming van nieuwe feiten en omstandigheden.
Ten tijde van de beslissing op bezwaar van 8 februari 2007 stond als gevolg van de Berichten genoemd in 1.3 en 1.4 reeds vast dat de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage als vastgesteld bij die beslissing op bezwaar onjuist was.
Door hiermee geen rekening te houden heeft de IB-Groep gehandeld in strijd met artikel 7:11 van Pro de Awb. De rechtbank is hier ten onrechte aan voorbijgegaan.
4.4. De beroepsgrond van appellant bedoeld in 3.3 treft geen doel. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant geen verzoek om peiljaarverlegging heeft gedaan. Een zodanig verzoek is, anders dan appellant stelt, niet te lezen in het namens hem ingediende bezwaarschrift.
4.5. Uit hetgeen is overwogen in 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak en het besluit op bezwaar niet in stand kunnen blijven. De IB-Groep zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen. Hierbij zal de IB-Groep tevens moeten besluiten over het door appellant gedane verzoek om vergoeding van de kosten bedoeld in artikel 7:15 van Pro de Awb.
4.6. De Raad acht termen aanwezig de IB-Groep te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 1.288,- voor in beroep en in hoger beroep verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 8 februari 2007 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de IB-Groep een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellant met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de IB-Groep in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de IB-Groep het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 146,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2009.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A.C.A Wit.
KR