ECLI:NL:CRVB:2009:BK6876
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- B.W.N. de Waard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verdere Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag
Appellant, arbeidsongeschikt wegens rugklachten en met een gedeeltelijke WAO-uitkering, meldde zich ziek met nek-, schouder- en rechterarmklachten terwijl hij een WW-uitkering ontving. Na medisch onderzoek door een bedrijfsarts werd hij hersteld verklaard voor zijn werk als conciërge. Het UWV weigerde verdere Ziektewet-uitkering per 24 november 2006.
Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, stellende dat ook psychische klachten aanwezig waren, ondersteund door informatie van zijn huisarts. De bezwaarverzekeringsarts handhaafde het besluit na herbeoordeling. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en appellant geschikt was voor zijn werkzaamheden.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en verwierp het beroep van appellant. De Raad oordeelde dat uit de medische informatie niet bleek dat op de relevante datum sprake was van psychische klachten en verwees naar eerdere jurisprudentie dat de verzekeringsgeneeskundige protocollen niet van toepassing zijn bij Ziektewet-beoordelingen. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van verdere Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag.