ECLI:NL:CRVB:2009:BK7589
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- R. Kruisdijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO- en WAZ-uitkeringen wegens inkomsten uit arbeid zonder dringende reden
Appellant, sinds 1962 werkzaam in loondienst en later als zelfstandig P&O-adviseur, ontving WAO- en WAZ-uitkeringen. Het UWV ontdekte dat appellant in 2003 een fiscale winst van €16.049 had aangegeven, wat leidde tot een aanpassing van zijn uitkeringspercentage en een terugvordering van €16.706,61 wegens onverschuldigde betalingen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht de inkomsten had geanticumuleerd met de uitkeringen. De rechtbank stelde dat alleen feiten ten tijde van het besluit relevant zijn voor het beoordelen van dringende redenen en dat latere tragische omstandigheden, zoals het overlijden van de echtgenote, niet meewegen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt over dringende redenen, wijzend op persoonlijke en financiële problemen en fouten van het UWV. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank dat ten tijde van het besluit geen dringende redenen bestonden om van terugvordering af te zien. Latere omstandigheden dienen in het invorderingsproces beoordeeld te worden.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Schoor en leden Zeijen en Kruisdijk op 18 december 2009.
Uitkomst: De terugvordering van onverschuldigde WAO- en WAZ-uitkeringen wordt bevestigd wegens het ontbreken van dringende redenen.