Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8345

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-7026 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54, derde lid, aanhef en onder a WWBArt. 58, eerste lid, aanhef en onder a WWBArt. 7:12, eerste lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit intrekking en terugvordering bijstand wegens onjuiste vermogensvaststelling

Appellante ontving bijstand op grond van de WWB na ontbinding van haar huwelijk. Het College trok de bijstand over de periode van januari tot september 2005 in en vorderde terugbetaling wegens overschrijding van de vermogensgrens. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.

In hoger beroep stelde appellante dat het College geen rekening had gehouden met een schuld van €4.440 aan haar ex-echtgenoot en een gezamenlijke schuld van €4.997,78 aan de Rabobank. De Raad oordeelde dat deze schulden wel degelijk meetellen bij de vermogensvaststelling en erkende de daadwerkelijke terugbetalingsverplichting.

Hierdoor was het vermogen van appellante niet hoger dan de vrij te laten vermogensgrens. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de eerdere besluiten, en veroordeelde het College tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd.

Uitspraak

07/7026 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 november 2007, 07/964 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)
Datum uitspraak: 29 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.P. van Stralen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken aan de Raad doen toekomen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J. de Jong, kantoorgenoot van mr. Van Stralen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Appellante was gehuwd met [A.B.] (hierna [A.B.]). Hun huwelijk is op 18 november 2004 ontbonden. Appellante ontving sedert 7 september 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), aanvankelijk naar de norm voor een alleenstaande ouder en sedert 16 november 2004 naar de norm voor een alleenstaande.
1.2. Bij besluit van 26 oktober 2006, zoals gewijzigd bij besluit van 30 november 2006, heeft het College met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2005 tot en met 1 september 2005 ingetrokken en met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de kosten van de over die periode verleende bijstand tot een bedrag van € 9.014,51 van haar teruggevorderd. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante, zonder daarvan bij het College melding te hebben gemaakt, in ieder geval op 1 januari 2005 beschikte of kon beschikken over een vermogen van € 11.601,--, dat daarmee de op haar van toepassing zijnde grens van het vrij te laten vermogen ter hoogte van € 5.105,-- werd overschreden en dat appellante daarom vanaf 1 januari 2005 over voldoende middelen beschikte om zelfstandig in de kosten van haar bestaan te voorzien.
1.3. Bij besluit op bezwaar van 3 april 2007 heeft het College het besluit van 26 oktober 2006, zoals gewijzigd bij het besluit van 30 november 2006, gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 april 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij bestrijdt dat zij op 1 januari 2005 beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over een vermogen boven de op haar van toepassing zijnde grens van het vrij te laten vermogen. Appellante heeft daartoe onder andere aangevoerd dat het College bij het vaststellen van haar vermogen op 1 januari 2005 ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een schuld ter hoogte van € 4.440,-- aan [A.B.]. Voorts had het College rekening moeten houden met een gezamenlijke schuld van appellante en [A.B.] aan de Rabobank ter hoogte € 4.997,78.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dienen de positieve bestanddelen van het vermogen slechts gesaldeerd te worden met die schulden waarvan het bestaan in voldoende mate aannemelijk is gemaakt en waarvan vaststaat dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden.
4.2. Met betrekking tot de schuld van € 4.440,-- aan [A.B.] overweegt de Raad als volgt.
4.2.1. Uit de gedingstukken blijkt dat de Belastingdienst op 22 november 2004 ten behoeve van appellante een bedrag van € 4.153,-- en op 23 november 2004 ten behoeve van [A.B.] een bedrag van € 4.440,-- heeft gestort op de à la carterekening van appellante bij de Fortisbank. Deze rekening stond op naam van appellante en [A.B.] toen zij nog gehuwd waren en nadien op naam van appellante alleen. Op 25 januari 2005 is van die rekening een bedrag van € 8.500,-- naar de hogerenterekening van appellante bij de Fortisbank overgemaakt. Op 14 augustus 2006 is een bedrag van € 8.500,-- teruggestort onder vermelding van ‘belastinggeld’. Op 15 augustus 2006, 1 september 2006 en 8 september 2006 zijn bedragen van respectievelijk € 750,--, € 2.000,-- en € 1.400,-- per kas van de à la carterekening afgehaald. De Belastingdienst heeft bij brieven van 18 augustus 2006 [A.B.] aangeslagen tot betaling van € 3.848,-- en appellante tot betaling van een bedrag van € 3.409,--. Op 20 september 2006 is van de à la carterekening van appellante een bedrag van € 3.409,-- overgemaakt naar de Belastingdienst.
4.2.2. Appellante heeft op 17 november 2006 tegenover de sociale recherche verklaard dat zij de op 22 en 23 november 2004 door de Belastingdienst op de à la carterekening gestorte bedragen op advies van haar boekhouder en in overleg met [A.B.] op de hogerenterekening heeft geparkeerd. De boekhouder had aangegeven dat zij en [A.B.] waarschijnlijk te veel belasting hadden terugontvangen. Verder heeft appellante verklaard dat zij, na ontvangst van de - kennelijk enkele dagen geantedateerde - aan haar gerichte definitieve aanslag van de Belastingdienst, het geld weer op de à la carterekening heeft teruggestort, vervolgens die aanslag heeft betaald en het belastinggeld dat [A.B.] toekwam, in porties per kas van die rekening heeft opgenomen en contant aan hem heeft terugbetaald en dat [A.B.] zelf de aan hem gerichte definitieve aanslag heeft betaald. Appellante heeft een met die van haar overeenstemmende verklaring van [A.B.] van
22 december 2006 overgelegd. In aanmerking genomen dat deze verklaringen steun vinden in de overige gedingstukken, ziet de Raad geen grond om aan de juistheid daarvan te twijfelen.
4.2.3. Gelet op de onder 4.2.1 weergegeven feiten en de onder 4.2.2 samengevatte verklaringen van appellante en [A.B.] is de Raad, anders dan de rechtbank en het College, van oordeel dat er voldoende grondslag bestaat voor het standpunt van appellante dat zij in verband met de storting door de Belastingdienst van aan [A.B.] toekomende gelden op haar rekening op 1 januari 2005 een schuld van € 4.440,-- aan [A.B.] had en dat aan die schuld een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling was verbonden. Dat niet appellante maar [A.B.] zelf in 2006 de aan hem gerichte definitieve aanslag aan de Belastingdienst heeft voldaan, staat daar niet aan in de weg. Het College heeft deze schuld daarom ten onrechte niet betrokken bij het vaststelling van het vermogen van appellante op 1 januari 2005.
4.3. Met betrekking tot de gezamenlijke schuld van appellante en [A.B.] ter hoogte € 4.997,78 aan de Rabobank overweegt de Raad als volgt.
4.3.1. Tot de gedingstukken behoren diverse maandoverzichten van het doorlopend krediet van [A.B.] bij de Rabobank. Appellante wordt op de betreffende overzichten als medecontractant vermeld. Uit het maandoverzicht van december 2004 blijkt dat het saldo van het doorlopend krediet op 31 december 2004 € 4.997,78 bedroeg. Uit de gedingstukken blijkt verder dat van de à la carterekening van appellante bij de Fortisbank regelmatig bedragen zijn overgemaakt naar de Rabobank onder vermelding van het contractnummer van het betreffende doorlopend krediet. Uit in hoger beroep door appellante overgelegde gegevens blijkt voorts dat het betreffende krediet bij de Stichting Bureau Krediet Registratie (ook) op naam van appellante is geregistreerd.
4.3.2. Appellante heeft op 17 november 2006 tegenover de sociale recherche verklaard dat zij en [A.B.] een gezamenlijke schuld bij de Rabobank hadden en dat [A.B.] in de loop van 2006 deze schuld helemaal op zich heeft genomen. De Raad heeft geen aanleiding aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen.
4.3.3. Gelet op de onder 4.3.1 weergegeven feiten en de onder 4.3.2 samengevatte verklaring van appellante is de Raad, anders dan de rechtbank en het College, van oordeel dat appellante en [A.B.] op 1 januari 2005 een gezamenlijke schuld hadden aan de Rabobank van € 4.997,78 en dat aan die schuld voor appellante een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting was verbonden. Dat [A.B.] in de loop van 2006 de gehele (restant-)schuld voor zijn rekening heeft genomen, maakt dat niet anders, nu aannemelijk is geworden dat appellante toen al veel meer dan [A.B.] aan de bank had betaald. Het College heeft (het aandeel van appellante in) deze schuld daarom ten onrechte niet betrokken bij het vaststelling van het vermogen van appellante op 1 januari 2005.
4.4. Nu, gelet op hetgeen onder 4.2.3 en 4.3.3 is overwogen, op het door het College vastgestelde vermogen op 1 januari 2005 van € 11.601,-- de schuld van appellante aan [A.B.] en (het aandeel van appellante in) de gezamenlijke schuld van appellante en [A.B.] aan de Rabobank in mindering moeten worden gebracht, stelt de Raad vast dat het vermogen van appellante op 1 januari 2005 niet hoger was dan de op haar van toepassing zijnde grens van het vrij te laten vermogen van € 5.105,--. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 3 april 2007 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad ziet tevens aanleiding om de besluiten van 26 oktober 2006 en 30 november 2006 te herroepen, nu deze besluiten lijden aan hetzelfde motiveringsgebrek en dit gebrek niet kan worden hersteld.
5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 3 april 2007;
Herroept de besluiten van 26 oktober 2006 en 30 november 2006;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,-- te betalen aan appellante en tot een bedrag van € 644,-- aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en R. Kooper en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2009.
(get.) J.J.A. Kooijman.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
mm