ECLI:NL:CRVB:2009:BK8376
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.J.A. Kooijman
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op bijstand bij gedwongen opname op grond van de Wet Bopz
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en verbleef van 6 januari tot 27 januari 2006 in een crisisopvangcentrum en daarna in een psychiatrisch ziekenhuis. Vanaf 2 februari 2006 was appellant gedwongen opgenomen op grond van de Wet Bopz. Het College van burgemeester en wethouders van Landgraaf had de bijstand ingetrokken vanaf 27 januari 2006, later herzien tot intrekking vanaf 2 februari 2006.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stond centraal of de uitsluitingsgrond in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB ook geldt voor gedwongen opname op grond van de Wet Bopz. De Raad concludeerde dat het begrip 'rechtens zijn vrijheid ontnomen' alle juridische vrijheidsontnemingen omvat, dus ook die op basis van de Wet Bopz.
De Raad oordeelde dat het College terecht de bijstand vanaf 2 februari 2006 had ingetrokken. Het argument van appellant dat dit niet strookt met de normbedragen in artikel 23 WWB Pro bij verblijf in een inrichting werd verworpen, omdat eerst moet worden vastgesteld of recht op bijstand bestaat alvorens de norm te bepalen. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De bijstand is terecht ingetrokken vanaf 2 februari 2006 wegens gedwongen opname op grond van de Wet Bopz.