ECLI:NL:CRVB:2009:BL0206

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4883 MPW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 AwbArtikel 39, tweede lid, onder f Algemeen militair ambtenarenreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering militair invaliditeitspensioen wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden

Appellant, een voormalig sergeant-majoor der artillerie bij de Koninklijke Landmacht, verzocht in april 2005 om toekenning van een militair invaliditeitspensioen wegens psychische problemen die zouden voortkomen uit een aanpassingsstoornis en burn-out door overbelasting in dienst. De staatssecretaris wees dit verzoek in april 2006 af, een besluit dat na bezwaar in oktober 2006 werd gehandhaafd.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat eerdere beoordelingen in 1993 en 1997 geen dienstverband of verergerend dienstverband voor de psychische aandoening hadden vastgesteld. De rechtbank toetste of er nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren volgens artikel 4:6 Awb Pro, en concludeerde dat de door appellant ingebrachte informatie en medische stukken geen nieuwe feiten of omstandigheden opleverden.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en wees het kort voor de zitting ingebrachte psychiatrisch rapport af omdat nieuwe feiten bij de aanvraag moeten worden vermeld. Ook stelde de Raad dat een andere beoordeling van de medische situatie uit 1993 geen nieuwe feiten oplevert zonder nieuwe medische inzichten.

Het verzoek om aanhouding voor nader medisch onderzoek werd afgewezen. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en zag geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten. Hiermee is het hoger beroep van appellant verworpen en blijft de afwijzing van het invaliditeitspensioen in stand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van het militair invaliditeitspensioen wordt bevestigd.

Uitspraak

07/4883 MPW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 juli 2007, 06/9374 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)
Datum uitspraak: 31 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant is meermalen uitstel verzocht van de behandeling van het onderhavige geding. Op 9 november 2009 is bij de Raad ingekomen een rapport van de psychiater J.M.J.F. Offermans van 5 november 2009.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2009, gevoegd met het geding tussen partijen, nr. 07/6279 MAW. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.M. Groenhart, werkzaam bij ACOM, CNV-bond van militairen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.W.C. Naalden en P.J.H. Souren, werkzaam bij het ministerie van Defensie respectievelijk de Stichting Pensioenfonds ABP. Als van de zijde van appellant meegebrachte getuige, respectievelijk getuige-deskundige zijn verschenen en gehoord H.C. Siereveld, wonende te Roden, en J.M.J.F. Offermans, psychiater te Bussum.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, geboren op [datum] 1953, is vanaf 1972 werkzaam geweest bij de Koninklijke Landmacht als beroepsofficier onbepaalde tijd, laatstelijk als sergeant-majoor der artillerie. Met ingang van 1 maart 1993 is hem eervol ontslag uit de dienst verleend met toepassing van artikel 39, tweede lid, onder f van het Algemeen militair ambtenarenreglement, omdat hij uit hoofde van ziekte of gebrek ongeschikt werd geacht voor het vervullen van de militaire dienst. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
1.2. In april 2005 heeft appellant verzocht om toekenning van een militair invaliditeits-pensioen. Dit verzoek heeft hij nader toegelicht bij schrijven van 1 september 2005. Hierbij is met name aangevoerd dat zijn psychische problemen voortkomen uit een aanpassingsstoornis ten gevolge van een niet, althans onvoldoende behandelde burn-out, welke appellant in de periode 1988/1989 door overbelasting in de dienst heeft opgelopen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij een aantal stukken met betrekking tot zijn wijze van functioneren en informatie van zijn functioneel commandanten overgelegd. Naar aanleiding van de uitslag van een op 25 oktober 2005 ingesteld sociaal medisch onderzoek (SMO) heeft de staatssecretaris bij besluit van 5 april 2006 afwijzend beslist op dit verzoek, welk besluit na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 2 oktober 2006.
2. Het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij vastgesteld dat de staatssecretaris de stelling van appellant dat sprake is van invaliditeit met dienstverband reeds twee maal eerder heeft beoordeeld. Zowel in 1993 als in 1997 is, nadat een Militair Geneeskundig Onderzoek (MGO) was ingesteld, geoordeeld dat ten aanzien van de psychische aandoening van appellant geen dienstverband dan wel verergerend dienstverband aanwezig was en dat geen aanspraak bestaat op invaliditeitsverhoging.
De rechtbank heeft in het kader van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in lijn met vaste jurisprudentie van de Raad, bezien of sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden waarin de staatssecretaris aanleiding had moeten vinden om de oorspronkelijke besluiten te herzien. Die vraag is door de rechtbank ontkennend beantwoord, waarbij kort samengevat is overwogen dat wordt aangesloten bij de bevindingen en conclusie in het rapport van de psychiater M.J. van Weers van
22 januari 2006, die heeft geconcludeerd dat de door appellant ingebrachte informatie over de werkomstandigheden in de periode voor zijn ontslag en de in beroep nog over-gelegde medische gegevens geen nieuwe feiten of omstandigheden opleveren. Ze bieden onvoldoende aanknopingspunten voor de door appellant gestelde overbelasting en evenmin voor het oordeel dat appellant onvoldoende zou zijn begeleid. De rechtbank heeft overwogen dat de goede functievervulling door appellant nooit is ontkend door de staatssecretaris en heeft zich geschaard achter de conclusie van psychiater Weers in zijn rapport van 1 maart 2006, inhoudende dat het eerder door hem en de psychiater prof. dr. M. Kuilman in 1997 geschetste beeld door de informatie eerder wordt bevestigd. De pas in beroep overgelegde brieven van psychiater R. Hoekstra van 19 oktober 2006 en van psychiater R.J.M. Mooren, kolonel-arts, van 6 november 2006 leveren naar het oordeel van de rechtbank evenmin nieuwe feiten of omstandigheden op.
3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep door partijen naar voren is gebracht overweegt de Raad als volgt.
3.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de juiste maatstaf aangelegd bij de toetsing van het bestreden besluit, waarbij de oorspronkelijke besluiten als uitgangspunt zijn genomen, en bezien is of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of de staatssecretaris daarin aanleiding had moeten vinden om die besluiten te herzien.
3.2. De Raad kan zich verder geheel vinden in het oordeel van de rechtbank, zoals samengevat onder 2.
3.3. Met het kort voor de zitting in het geding gebrachte psychiatrisch rapport kan bij de toetsing van het bestreden besluit geen rekening worden gehouden, reeds omdat nieuwe feiten ingevolge artikel 4:6 van Pro de Awb bij de aanvraag moeten worden vermeld.
3.4. Hierbij overweegt de Raad nog dat van de zijde van de staatssecretaris ook terecht naar voren is gebracht dat een andere beoordeling thans van de medische situatie van appellant in 1993 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden oplevert als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb, nu geen sprake is van nieuwe medische inzichten vanwege ontwikkelingen in de medische wetenschap.
3.5. De Raad ziet in het verlengde hiervan dan ook geen aanleiding om te voldoen aan het ter zitting gedane verzoek van de zijde van appellant om de behandeling van het geding aan te houden voor een nader medisch onderzoek.
4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 december 2009.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M. Lammerse.
HD
14.12