ECLI:NL:CRVB:2010:BL1616
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C. van Viegen
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding
Appellant heeft op 29 september 2005 een bijstandsuitkering aangevraagd en verklaard bij een vriend, B, in te wonen met wie hij een gezamenlijke huishouding voert. Het College wees de aanvraag af op grond van deze gezamenlijke huishouding. Een tweede aanvraag op 27 januari 2006 werd eveneens afgewezen omdat appellant geen relevante wijziging in zijn situatie aannemelijk maakte.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaar ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij niet meer samen eet met B en geen was meer voor hem doet. De Raad oordeelde dat deze veranderingen niet voldoende zijn om te spreken van een relevante wijziging die het recht op bijstand zou doen ontstaan.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees erop dat appellant nog steeds zijn hoofdverblijf had in de woning van B en dat er sprake bleef van wederzijdse zorg. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en wees op de mogelijkheid van cassatie bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.