ECLI:NL:CRVB:2010:BL2082
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.F. Bandringa
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking bijstand na beschikbaar komen erfenis aandeel onroerende zaak
Appellante ontving sinds 1996 bijstand op grond van de WWB. Zij was mede-eigenaar van een onroerende zaak belast met gebruiksrechten van haar vader, die in 2005 overleed. Na verkoop van de onroerende zaak in 2006 ontving zij haar aandeel van ruim €64.000. Het College trok de bijstand met terugwerkende kracht in vanaf de datum van overlijden van haar vader en vorderde kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het College als aanvangsdatum van de terugvordering terecht de datum van overlijden heeft genomen. De Raad stelt echter dat het College een zelfstandig besluit tot terugvordering kan nemen zonder voorafgaande intrekking en dat het besluit tot intrekking en het bezwaarbesluit vernietigd moeten worden.
De Raad beveelt het College tevens aan een nieuw besluit te nemen over de periode na 1 juli 2006, omdat appellante pas op 2 augustus 2006 daadwerkelijk beschikte over de middelen. Het hoger beroep is gegrond voor zover het de intrekking per 21 augustus 2005 betreft en wordt voor dat deel vernietigd, terwijl de rest van de uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard voor de intrekking per 21 augustus 2005 en vernietigt de besluiten, met opdracht aan het College een nieuw besluit te nemen.