ECLI:NL:CRVB:2010:BL2093
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering en intrekking bijstand volgens WWB
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en werd geconfronteerd met intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 17 januari 2005 tot en met 31 december 2005 en vanaf 1 mei 2006.
Het College van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage had bij besluiten in 2006 de bijstand over genoemde periodes ingetrokken en teruggevorderd. Appellant maakte bezwaar tegen de omvang van de terugvordering en stelde beroep in tegen de besluiten. De rechtbank verklaarde het beroep voor zover gericht tegen de intrekking en terugvordering over 2005 niet ontvankelijk omdat tegen dat besluit geen bezwaar was gemaakt en het besluit in rechte onaantastbaar was geworden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze beoordeling en oordeelt dat het College terecht het bezwaar van appellant over de periode vanaf 1 mei 2006 heeft behandeld en het terug te vorderen bedrag op € 588,59 heeft vastgesteld. Er is geen grond gevonden om het College te verwijten dat het niet redelijk gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot terugvordering.
De Raad ziet geen aanleiding om appellant in de proceskosten te veroordelen en verklaart het beroep tegen het besluit van 26 mei 2008 ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering vanaf mei 2006 wordt ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de terugvordering over 2005 is niet ontvankelijk.