ECLI:NL:CRVB:2010:BL2161
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over WW-uitkering wegens onvoldoende onderzoek naar werkzaamheden voorafgaand aan werkloosheid
Appellant ontving sinds augustus 2004 een WW-uitkering. Naar aanleiding van een melding van mogelijke fraude heeft het UWV in 2007 een onderzoek ingesteld en de WW-uitkering met 10 uur per week gekort vanaf juni 2005. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. In hoger beroep erkende appellant dat hij zijn gehandicapte zoon hielp met markthandelactiviteiten, wat het UWV als arbeid met economische waarde beschouwde.
De Raad oordeelt dat deze werkzaamheden weliswaar ook binnen de gezinssfeer kunnen vallen, maar economisch waardeerbaar zijn en dus als arbeid moeten worden aangemerkt. Tevens is gebleken dat appellant mogelijk al vóór de WW-uitkering werkzaamheden verrichtte, wat het UWV had moeten onderzoeken om het recht op uitkering correct te bepalen. Het UWV heeft echter geen rekening gehouden met de zogenoemde vrij te laten uren.
Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant en dient het griffierecht te worden vergoed.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV dient een nieuw besluit te nemen rekening houdend met de vrij te laten uren.