ECLI:NL:CRVB:2010:BL2929

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6859 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:75 AwbWet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing voorziening aanschaf auto wegens onvoldoende medische motivering

Appellante, erkend als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, diende een vervolgaanvraag in voor een voorziening in de kosten van aanschaf van een auto. Verweerster wees deze aanvraag af, stellende dat appellante niet medisch of sociaal-medisch was geïndiceerd voor deze voorziening, omdat zij nog gebruik kon maken van openbaar vervoer of taxi met begeleiding.

Appellante voerde aan dat haar psychische situatie was verslechterd, met grote angsten voor openbaar vervoer en isolement als gevolg. De Raad overwoog dat het uitgangspunt van verweerster om alleen bij absolute verhindering tot toekenning over te gaan, aanvaardbaar is. Echter, de medische adviezen waarop verweerster zich baseerde, toonden aarzelingen en discrepanties, mede gezien de complexe en langdurige psychische problematiek van appellante.

De Raad oordeelde dat het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk was voorbereid en gemotiveerd. Verweerster had een gerichte psychiatrische expertise moeten inwinnen. Het besluit werd vernietigd en verweerster werd opgedragen een nieuw besluit te nemen, met vergoeding van proceskosten aan appellante.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende medische motivering en verweerster moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

08/6859 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 21 januari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 23 oktober 2008, kenmerk BZ 47913, JZ/E70/2008 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2009. Appellante is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam, terwijl verweerster zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante, geboren in 1938, is erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Hierbij is aanvaard dat de psychische klachten en de gebitsklachten van appellante in verband staan met de door haar ondergane vervolging. In het verleden zijn aan appellante diverse bijzondere voorzieningen toegekend.
1.2. In maart 2008 heeft appellante bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om toekenning van een voorziening in de kosten van aanschaf van een auto. Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 8 juli 2008, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Overwogen is dat deze voorziening op grond van appellantes voor toepassing van de Wet aanvaarde klachten niet medisch dan wel sociaal-medisch is geïndiceerd, nu bij appellante geen sprake is van een totale beperking voor alle vormen van openbaar vervoer waaronder begrepen vervoer per taxi. In het bijzonder acht verweerster aannemelijk dat appellante eventueel met begeleiding van bus of taxi gebruik kan maken.
1.3. Namens appellante is aangevoerd dat sedert enige jaren haar psychische situatie is verslechterd, hetgeen zich onder meer uit door grote angsten in het openbaar vervoer, ook onder begeleiding, en bij het meerijden met anderen. Verder is gesteld dat appellante als gevolg van haar psychische klachten in een steeds groter isolement terecht is gekomen.
2. Ter beantwoording staat de vraag of, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Hierover overweegt de Raad als volgt.
2.1. De Raad heeft, gelet op de aard van de gevraagde voorziening, in vaste rechtspraak aanvaardbaar geoordeeld het door verweerster gehanteerde uitgangspunt om pas dan over te gaan tot toekenning van de gevraagde vergoeding of tegemoetkoming, indien sprake is van een absolute verhindering om van het openbaar vervoer of van een taxi gebruik te maken.
2.2. Het standpunt van verweerster dat een zodanige situatie zich in appellantes geval niet voordoet is gebaseerd op adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Bij die advisering zijn betrokken informatie uit de behandelende sector en het rapport van 9 september 2008 van medisch onderzoek van appellante door een van deze adviseurs, de arts G. Kho. In die adviezen komt tot uiting dat appellante als gevolg van fobische klachten beperkt is voor het openbaar vervoer, maar dat het mede vanwege allerlei discrepanties in de anamnese moeilijk is te beoordelen of ook sprake is van een totale beperking voor het reizen met openbaar vervoer en de taxi.
2.3. De Raad acht het bestreden besluit op grond van de genoemde medische adviezen onvoldoende deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Hiertoe laat de Raad enerzijds wegen de duidelijke aarzelingen in de medische advisering aan verweerster door haar geneeskundig adviseurs, en anderzijds dat uit de voorhanden zijnde (medische) gegevens blijkt van een inmiddels al zeer lange geschiedenis van psychotherapeutische behandeling van appellante die wijst op een complexe psychische gezondheidssituatie. Onder die omstandigheden had het naar het oordeel van de Raad op de weg gelegen van verweerster om over de aanvraag van appellante een gerichte psychiatrische expertise in te winnen.
3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en om die reden niet in rechte kan standhouden.
4. De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om verweerster met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante tot een totaalbedrag van € 657,02, bestaande uit € 644,- als kosten van rechtsbijstand en € 13,02 als reiskosten van appellante.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit zal nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 657,02, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat verweerster aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2010.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) I. Mos.
HD