ECLI:NL:CRVB:2010:BL2941
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- G.L.M.J. Stevens
- A.J. Schaap
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen afwijzing periodieke uitkering en voorzieningen op grond van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers
Appellant, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in oktober 2007 een aanvraag in voor een periodieke uitkering en voorzieningen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Bij besluit van 17 maart 2008 werd hij erkend als vervolgde op grond van internering in 1942 en kreeg hij een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer toegekend. Voor de overige voorzieningen werd de aanvraag afgewezen, en deze afwijzing werd gehandhaafd na bezwaar.
In beroep stelde appellant, vertegenwoordigd door zijn echtgenote, dat de psychische klachten als gevolg van vervolging en het verlies van zijn vader waren onderschat, en dat het psychiatrisch onderzoek niet adequaat was verlopen. Tevens werd betwist dat de gehoor-, gebits- en visusklachten niet in causaal verband stonden met de vervolging.
De Raad baseerde zich op adviezen van geneeskundige adviseurs en een psychiatrisch rapport van P.J. Markovitz, en vond geen aanleiding om te twijfelen aan de deugdelijkheid van het onderzoek of de conclusies. Het objectieve feit dat appellant in 1963 werd goedgekeurd voor het Amerikaanse leger sprak tegen een oorzakelijk verband met gehoorklachten. De gebitsklachten ontstonden pas in de jaren zestig, zonder doorlopende pathologie vanaf de vervolging. De visusklachten werden toegeschreven aan cataract, een degeneratieve aandoening zonder verband met vervolging.
Gelet op deze overwegingen verklaarde de Raad het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het afwijzende besluit op zijn aanvraag voor een periodieke uitkering en voorzieningen wordt ongegrond verklaard.