ECLI:NL:CRVB:2010:BL3057

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6516 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 19 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag toeslag burger-oorlogsslachtoffer tweede generatie

Appellante, geboren in 1952, diende een aanvraag in voor een toeslag ter verbetering van haar levensomstandigheden op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Haar aanvraag was gebaseerd op gezondheidsproblemen die zij toeschrijft aan de oorlogservaringen van haar stiefvader. Verweerster wees de aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld dat appellante zelf door oorlogsgeweld was getroffen, zoals vereist in artikel 2, eerste lid, van de Wet.

Appellante voerde aan dat haar psychiater een verband zag tussen de agressiviteit en depressiviteit van haar stiefvader en haar eigen psychiatrische problemen. De Raad stelde vast dat de Wet geen bepalingen kent die aanspraken toekennen aan zogenaamde tweede-generatieslachtoffers. De Raad volgde hiermee het standpunt van verweerster dat de Wet alleen rechten verleent aan direct door oorlogsgeweld getroffenen.

De Raad oordeelde dat het bestreden besluit in stand kan blijven en verklaarde het beroep ongegrond. Daarbij werd benadrukt dat dit oordeel niet afdoet aan de ernst van de persoonlijke problematiek van appellante, maar dat de Wet strikt gebonden is aan de omschreven gebeurtenissen. Tevens wees de Raad een verzoek om vergoeding van proceskosten af wegens het ontbreken van toepasselijke gronden.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de toeslag wordt gehandhaafd.

Uitspraak

08/6516 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 21 januari 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 21 oktober 2008, kenmerk BZ 8695, JZ/F60/2008, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: bestreden besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2009. Daar is appellante niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen-en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Blijkens de gedingstukken heeft appellante, geboren [ in] 1952 te Boedapest in Hongarije, in juli 2008 bij verweerster een aanvraag ingediend voor de toeslag ter verbetering van haar levensomstandigheden ingevolge artikel 19 van Pro de Wet. Appellante heeft haar aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan de gevolgen van de ervaringen die haar stiefvader tijdens de oorlogsjaren heeft meegemaakt.
1.2. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 12 september 2008 op de grond dat niet vastgesteld is kunnen worden dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet. In dit verband is overwogen dat de Wet geen bepalingen kent op grond waarvan zogenoemde tweede-generatieslachtoffers aanspraken aan deze Wet kunnen ontlenen. Na gemaakt bezwaar is de afwijzing gehandhaafd bij het thans bestreden besluit.
2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden en overweegt daartoe als volgt.
2.1. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken dat de aanvraag van appellante vooral steunt op de ontwrichting van het (gezins)leven waartoe zij behoorde. Appellante heeft aangevoerd dat haar psychiater vindt dat er een verband bestaat tussen de depressiviteit en de agressiviteit van haar stiefvader en haar psychiatrische problemen.
2.2. De Raad stelt, overeenkomstig verweersters standpunt hierover, vast, dat appellante in 1952 geboren is en dat haar aanvraag gebaseerd is op de oorlogservaringen van haar stiefvader. De Raad is met verweerster van oordeel dat de Wet geen bepaling kent op grond waarvan mensen met tweede-generatie problematiek, waarvan in het onderhavige geval sprake is, aanspraken aan de Wet kunnen ontlenen.
3. Gezien het voorgaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard. Daarmee is zeker niet beoogd om de ernst van de door appellante naar voren gebrachte ervaringen met haar stiefvader te miskennen. De erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet is echter gebonden aan de in de Wet omschreven gebeurtenissen. Nu van zodanige gebeurtenissen niet is gebleken en nu de Wet geen bepaling kent met betrekking tot tweede-generatie slachtoffers, heeft verweerster terecht de door appellante gestelde psychische gevolgen buiten beschouwing gelaten.
4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2010.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) I. Mos.
HD