ECLI:NL:CRVB:2010:BL4020
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C. van Viegen
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid schorsing en beëindiging nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving vanaf 1989 een pensioen dat in 1996 werd omgezet in een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale verzekeringsbank (Svb) voerde een rechtmatigheidsonderzoek uit vanwege vermoedens dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met mevrouw R. die op het adres van appellant stond ingeschreven.
Op basis van bevindingen waaronder inschrijving bij het Centraal Bureau Burgerzaken, een visumaanvraag en huisbezoeken, schortte en beëindigde de Svb de uitkering. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond.
De Raad oordeelt dat inschrijving alleen niet voldoende is om te concluderen dat R. haar hoofdverblijf had op het adres van appellant. Verklaringen tonen dat R. bij haar vader woonde en slechts incidenteel verbleef bij appellant. Ook was er geen sprake van wederzijdse verzorging. De Svb heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van gezamenlijke huishouding.
Daarom vernietigt de Raad de besluiten tot schorsing en beëindiging van de uitkering en herroept deze. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellant vergoed. De uitspraak benadrukt het belang van feitelijke woonsituatie en zorgcriteria bij beoordeling van gezamenlijke huishouding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de besluiten tot schorsing en beëindiging van de nabestaandenuitkering wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.