ECLI:NL:CRVB:2010:BL5424
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- O.L.H.W.I. Korte
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit prostitutie
Appellante ontving bijstand sinds 1998 en werd in 2006 door het College van burgemeester en wethouders van Delft geconfronteerd met een intrekkingsbesluit wegens het verzwegen van inkomsten uit werkzaamheden als prostituee. Het College stelde vast dat appellante in diverse perioden inkomsten had ontvangen zonder dit te melden, wat een schending van de inlichtingenplicht vormt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep constateerde dat de rechtbank ten onrechte niet had geoordeeld over de intrekking per 1 november 2006. De Raad vernietigde dit deel van de uitspraak en besloot de zaak zonder terugwijzing af te doen.
De Raad oordeelde dat het College aannemelijk had gemaakt dat appellante in november 2005, februari 2006 en juni tot en met september 2006 werkzaamheden als prostituee had verricht en inkomsten had ontvangen. Voor de overige perioden ontbrak een voldoende feitelijke grondslag. Het College was bevoegd de bijstand voor de genoemde maanden terug te vorderen, maar moest een nieuw besluit nemen over de terugvordering.
De Raad veroordeelde het College in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellante wordt vergoed. Hiermee werd het besluit van 16 april 2007 gedeeltelijk vernietigd en de besluiten van 12 december 2006 herroepen voor de niet-onderbouwde perioden.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt deels vernietigd en het College moet een nieuw besluit nemen over terugvordering voor bepaalde maanden.