ECLI:NL:CRVB:2010:BL6108
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- A.J. Schaap
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag uitkering vervolgingsslachtoffers wegens ontbreken vervolging in Japanse bezetting
Appellante, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg een uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Zij stelde dat zij tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd was geweest en dat haar vader gevangen zat door de Japanners. Ook noemde zij evacuatie naar Singapore en plaatsing in het Wilhelminakamp.
Verweerster wees de aanvraag af omdat appellante geen vervolging in de zin van de Wet had ondergaan. De Raad concludeerde dat appellante niet geïnterneerd was tijdens de Japanse bezetting en dat de gebeurtenissen zoals de arrestatie van haar vader en haar evacuatie plaatsvonden in de Bersiap-periode, die niet onder de Wet valt.
De Raad oordeelde dat alleen de vervolging van appellante zelf relevant is en niet die van haar vader. De Raad stelde vast dat de vader pas tijdens de Bersiap-periode geïnterneerd was, niet tijdens de Japanse bezetting. Ook de evacuatie en plaatsing in het kamp vielen buiten het toepassingsgebied van de Wet.
Hoewel de motivering van verweerster niet volledig in het besluit was weergegeven, achtte de Raad dit niet doorslaggevend. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellante geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.