ECLI:NL:CRVB:2010:BL6133
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- A.J. Schaap
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs
Appellant, geboren in 1934 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in maart 2007 een uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. De aanvraag werd in juni 2008 afgewezen en deze afwijzing werd gehandhaafd na bezwaar. Appellant stelde dat hij tijdens de Bersiap-periode getuige was geweest van moorden en executies door de Japanners en herhaaldelijk moest vluchten voor gevechten tussen Gurkha’s en Indonesische opstandelingen.
De Raad stelde vast dat verweerster een zorgvuldig onderzoek had uitgevoerd, waarbij historische gegevens en dossiers van familieleden en vergelijkbare zaken werden geraadpleegd. Pogingen om een getuige te bereiken die appellant had genoemd, bleven vruchteloos. De Raad oordeelde dat alleen de eigen verklaring van appellant onvoldoende is om de calamiteiten aannemelijk te maken.
Met betrekking tot de vluchten oordeelde de Raad dat appellant weliswaar regelmatig moest vluchten, maar dat er geen sprake was van directe betrokkenheid onder de Wet. Er was onvoldoende bewijs dat deze vluchten onder levensbedreigende omstandigheden plaatsvonden. De verklaring van een huisgenote bevestigde dat de familie tijdig een schuilplaats vond. Ook andere door appellant genoemde incidenten konden niet worden bevestigd.
Daarom verklaarde de Raad het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 11 februari 2010.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer.