ECLI:NL:CRVB:2010:BL6181
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens ontbreken verblijfstitel volgens WWB
Appellant, van Afghaanse nationaliteit, ontving vanaf 2002 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na het vervallen van zijn verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd per 16 februari 2006, trok het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage de bijstand met ingang van 1 juli 2006 in.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat het individualiseringsbeginsel van de WWB en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder het ontbreken van inkomsten en schulden, aanleiding zouden moeten zijn om bijstand te verlenen ondanks het ontbreken van een verblijfstitel.
De Raad oordeelt dat artikel 16, eerste lid, van de WWB, dat bijstand kan verlenen bij zeer dringende redenen, niet van toepassing is op vreemdelingen zonder verblijfstitel zoals appellant. Er zijn geen dringende redenen aangetoond die een uitzondering rechtvaardigen. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de intrekking van de bijstand bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding om appellant in de proceskosten te veroordelen. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 2 maart 2010.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens het ontbreken van een verblijfstitel wordt bevestigd.