ECLI:NL:CRVB:2010:BL6453
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dagloon en vergoeding overschrijding redelijke termijn in WAO-uitkering
Appellant betwistte de hoogte van zijn WAO-uitkering en de berekening van het dagloon waarop deze is gebaseerd. Het Uwv had het dagloon vastgesteld op basis van het salaris dat appellant voorafgaand aan zijn eerste ziektedag ontving in zijn beide aanstellingen als docent, naar rato van de omvang van die aanstellingen. De rechtbank had het beroep tegen het standpunt van het Uwv ongegrond verklaard.
In hoger beroep stelde appellant dat het Uwv de hoogte van zijn WAO-uitkering niet voldoende had onderbouwd en dat de redelijke termijn voor de procedure ruimschoots was overschreden, wat zijn gezondheid negatief beïnvloedde. De Raad oordeelde dat het Uwv voldoende inzichtelijk had gemaakt dat het dagloon juist was vastgesteld en dat appellant geen tegenbewijs had geleverd.
De Raad stelde vast dat de redelijke termijn van twee jaar voor bezwaar en beroep met ruim tien maanden was overschreden, wat volledig aan het Uwv kon worden toegerekend. De Raad kende daarom een immateriële schadevergoeding toe van € 1.000,--. Verder werden de proceskosten en griffierechten aan appellant toegekend. De overige onderdelen van de aangevallen uitspraak werden bevestigd.
Uitkomst: Het dagloon is juist vastgesteld en appellant krijgt een schadevergoeding van € 1.000,-- wegens overschrijding van de redelijke termijn.