ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2790
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering en afwijzing herhaalde aanvraag wegens onvoldoende toename arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft sinds 1992 arbeidsongeschiktheid wegens diverse klachten en ontving een WAO-uitkering. Na intrekking van de uitkering in 1996 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid, verzocht appellant herhaaldelijk om herbeoordeling op grond van artikel 43a van de WAO, stellende dat zijn psychische klachten waren toegenomen.
Het UWV weigerde de uitkering opnieuw toe te kennen, gesteund op medisch onderzoek in Marokko en Nederland, waaruit bleek dat er geen toename van psychische beperkingen was binnen de vijfjaarstermijn na intrekking. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank dat het UWV terecht de aanvraag afwees. De medische onderzoeken waren zorgvuldig en volledig. De Raad oordeelt echter dat de redelijke termijn in de bestuursfase is overschreden, waardoor het UWV veroordeeld wordt tot een schadevergoeding van €1.500. Tevens worden proceskosten aan appellant toegekend.
De Raad vernietigt het bestreden besluit, laat de rechtsgevolgen in stand en bepaalt dat het UWV het betaalde griffierecht moet vergoeden. De behandeling van het hoger beroep door de Raad zelf duurde niet langer dan redelijk is.
Uitkomst: Het UWV heeft terecht de herhaalde aanvraag tot WAO-uitkering afgewezen wegens het ontbreken van toegenomen psychische beperkingen, maar wordt veroordeeld tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.