ECLI:NL:CRVB:2010:BL7156
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.J.A. Kooijman
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht
Appellanten ontvingen sinds 1997 bijstand op grond van de WWB. Het College stelde een onderzoek in naar vermeende schendingen van de inlichtingenplicht en vermoeden van vermogen boven de vrij te laten grens. Op basis hiervan werden besluiten genomen tot opschorting, intrekking en terugvordering van bijstand over diverse perioden.
De Raad beoordeelde dat het College niet bevoegd was de bijstand over de periode van 23 april 2001 tot en met 31 december 2005 in te trekken wegens onvoldoende bewijs van schending van de inlichtingenplicht. Over de periode van 1 januari 2006 tot en met 6 juni 2006 was het College wel bevoegd tot intrekking, omdat appellanten niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij recht op bijstand hadden. De Raad oordeelde dat het College niet aannemelijk had gemaakt dat appellanten beschikten over bepaalde auto’s en paarden, maar wel dat er contant geld en henneptoppen tot het vermogen behoorden.
Verder vernietigde de Raad het besluit om een aanvraag om bijstand buiten behandeling te stellen wegens onvoldoende motivering en gebrekkige bewijsvoering. Het College werd opgedragen een nieuw besluit te nemen. De Raad veroordeelde het College tot vergoeding van proceskosten aan appellanten.
Uitkomst: Besluiten tot intrekking en terugvordering bijstand over bepaalde perioden worden vernietigd wegens ondeugdelijke motivering; het College moet nieuwe besluiten nemen.