ECLI:NL:CRVB:2010:BL7251
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.J.A. Kooijman
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1998 bijstand als alleenstaande ouder, maar deze werd in 2004 gewijzigd naar een gehuwdennorm vanwege samenwoning met haar ex-partner. Vanaf maart 2005 kreeg zij weer bijstand als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een melding voerde de gemeente een onderzoek uit, inclusief waarnemingen en een huisbezoek, wat leidde tot het besluit om de bijstand over de periode maart 2005 tot en met december 2005 in te trekken en terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, stellende dat haar ex-partner de kinderen had erkend, wat een onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding oplevert. De rechtbank vond de onderzoeksbevindingen, waaronder het huisbezoek en de verklaring van appellante, voldoende om aan te nemen dat zij samenwoonden.
In hoger beroep stond enkel de vraag centraal of appellante en haar ex-partner gedurende de periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. De Raad volgde de rechtbank en vond de feitelijke grondslag toereikend. De Raad verwierp de herhaalde bezwaren van appellante en bevestigde de uitspraak, zonder proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstand wegens gezamenlijke huishouding worden bevestigd.